ECLI:NL:CRVB:2004:AQ5507
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit beëindiging ziekengeld wegens herstel arbeidsongeschiktheid
Appellant, leerling-loodgieter, raakte arbeidsongeschikt door een voetfractuur na een ongeval met een heftruck. Na medische onderzoeken en een hersteldverklaring van de verzekeringsarts werd op 19 maart 2001 het ziekengeld stopgezet omdat appellant niet langer ongeschikt werd geacht voor zijn werk.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en bevestigd door de rechtbank Arnhem. De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld en de eerdere uitspraken bevestigd.
Medische rapporten, waaronder die van een verzekeringsarts en een psychiater, toonden aan dat er geen functionele afwijkingen of zodanige pijnstoornis waren die arbeidsongeschiktheid rechtvaardigden. De Raad oordeelde dat het aangepaste schoeisel geen voorwaarde was voor herstelverklaring en dat de bezwaren van appellant onvoldoende waren om het besluit te wijzigen.
De Raad heeft de aanvullende stukken van de gemachtigde buiten beschouwing gelaten wegens te late indiening en ziet geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. Het besluit tot beëindiging van het ziekengeld blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant sinds 19 maart 2001 niet meer ongeschikt is voor zijn werk en geen recht meer heeft op ziekengeld.