ECLI:NL:CRVB:2004:AQ5492
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ziekengeld wegens geschiktheid tot arbeid
Appellant kreeg op 2 november 2000 bericht dat hij vanaf 28 augustus 2000 geen recht meer had op ziekengeld omdat hij niet langer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid als taxichauffeur. Het bezwaar tegen dit besluit werd op 4 januari 2001 ongegrond verklaard. De rechtbank Arnhem bevestigde dit in augustus 2002 en verklaarde het beroep ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad beoordeelde of appellant terecht geen ziekengeld meer ontving omdat hij niet meer ongeschikt was. De rechtbank had geoordeeld dat de medische gegevens onvoldoende aanknopingspunten boden voor ongeschiktheid. Er waren geen functionele stoornissen aan linker enkel of rug en ook psychisch waren er geen belemmeringen. Appellant had zijn standpunt niet met medische gegevens onderbouwd.
In hoger beroep bracht appellant geen nieuwe medische onderbouwing in, maar herhaalde zijn eerdere stellingen over een gokverslaving, hetgeen de Raad onvoldoende achtte om het oordeel van de rechtbank te wijzigen. De Raad bevestigde het vonnis en zag geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld blijft gehandhaafd.