ECLI:NL:CRVB:2004:AQ5339
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering toekenning ziekengeld wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, die in het verleden arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ontving wegens enkel- en hartklachten, werd met ingang van 18 januari 1999 niet langer als arbeidsongeschikt beschouwd voor functies die aan haar beoordeling ten grondslag lagen. Dit leidde tot het intrekken van haar ziekengeld.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij vooral waarde hechtte aan verzekeringsgeneeskundige rapporten en medische informatie van behandelend specialisten. Appellante voerde aan dat haar beperkingen werden onderschat, maar dit werd niet ondersteund door medische gegevens.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Uit de medische stukken bleek dat appellante pas na de datum van het bestreden besluit ernstige longklachten kreeg, die toen nog geen rol van betekenis speelden. Daarmee was het oordeel dat zij niet arbeidsongeschikt was op dat moment terecht.
De Raad zag geen aanleiding om af te wijken van het eerdere oordeel en verwierp het beroep. Het bestreden besluit blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante ten tijde van het besluit niet arbeidsongeschikt was en weigert ziekengeld toe te kennen.