ECLI:NL:CRVB:2004:AQ3798
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft beroep ingesteld tegen de intrekking van haar WAO-uitkering per 7 maart 1999. Zij stelde dat haar rugklachten tijdens de verzekeringsperiode waren verergerd en verwees naar een multidisciplinaire arbeidstraining en behandeling door een manueel therapeut. De Raad heeft de medische gegevens beoordeeld en oordeelde dat de verzekeringsartsen de beperkingen van appellante niet hebben onderschat. Appellante heeft haar stellingen niet met concrete medische gegevens onderbouwd.
De Raad nam de verklaringen van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts mee in haar beoordeling en vond dat de belastbaarheid van appellante juist was vastgesteld. Ook achtte de Raad aannemelijk dat de belastbaarheid niet werd overschreden door de functies die appellante als geschikt werden voorgehouden.
Daarom werd de uitspraak van de rechtbank bevestigd en de intrekking van de WAO-uitkering gehandhaafd. De Raad zag geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 7 maart 1999 wordt bevestigd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.