ECLI:NL:CRVB:2004:AQ3797

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/4451 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenWet op de reïntegratie arbeidsgehandicapten (Wet REA)
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering bij fibromyalgie zonder objectieve beperkingen

Appellant heeft een WAO-uitkering aangevraagd, maar deze werd geweigerd omdat hij na afloop van de wachttijd van 52 weken minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. De Raad van bestuur van het UWV stelde dat appellant geschikt was voor bepaalde functies en geen verlies aan verdiencapaciteit had. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij leed aan fibromyalgie, een chronisch pijnsyndroom, en overhandigde brieven van zijn reumatoloog die aangaven dat patiënten met deze aandoening doorgaans niet in staat zijn tot zwaar en repeterend lichamelijk werk.

De bezwaarverzekeringsarts reageerde dat er geen reumatologisch ziektebeeld was vastgesteld en dat de pijnklachten niet objectief waren geconstateerd. De arts vond geen reden om de belastbaarheid van appellant te beperken. De Raad onderschreef deze beoordeling en zag geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. Ook de beoordeling dat appellant niet als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet REA kon worden aangemerkt, werd bevestigd.

De Centrale Raad van Beroep concludeerde dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er waren geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De weigering van de WAO-uitkering werd daarmee definitief bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering aan appellant wegens onvoldoende objectieve arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/4451 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 13 juli 2000 heeft gedaagde geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat hij na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken op
31 januari 2000 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.
Bij besluit van 14 juli 2000 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat hij per
31 januari 2000 niet als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet op de reïntegratie arbeidsgehandicapten (Wet REA) wordt aangemerkt.
Namens appellant heeft mr. I. van Santbrink, advocaat te Delft, tegen die besluiten bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 22 januari 2001, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde die bezwaren ongegrond verklaard.
De rechtbank ‘s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 15 juli 2002, reg.nr. AWB 01/810 WAO, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 juni 2004, waar appellant niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. M. de Graaff, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant na afloop van de voor hem geldende wachttijd op 31 januari 2000, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de mediane loonwaarde van de drie functies met de hoogste lonen met het voor hem geldende maatmaninkomen resulteert volgens gedaagde niet in enig verlies aan verdiencapaciteit. Daarom heeft gedaagde geweigerd een WAO-uitkering toe te kennen. Voorts wordt betrokkene niet als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet REA aangemerkt omdat hij niet aan de daarvoor vereiste voorwaarden voldoet.
In geding is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak.
Appellant heeft in hoger beroep een tweetal brieven overgelegd van zijn behandelend reumatoloog dr. D. van Zeben. In de brief van die arts van 7 juni 2002 is als diagnose een chronisch benigne pijnsyndroom ofwel fibromyalgie gesteld. Voorts wordt in een van die brieven opgemerkt dat over het algemeen wordt aangenomen dat patiënten met dergelijke klachten niet in staat zijn om lichamelijk zwaar belastende en vooral repeterende arbeid te verrichten. Desgevraagd heeft de bezwaarverzekeringsarts daarop een reactie gegeven. Deze heeft erop gewezen dat de reumatoloog heeft bevestigd dat er geen reumatologisch ziektebeeld is geconstateerd en dat de pijnklachten van appellant niet geobjectiveerd zijn. De informatie van de reumatoloog geeft de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding om te stellen dat de belastbaarheid van appellant is overschat. Een overtuigende indicatie om repeterende arbeid te beperken is er volgens hem eigenlijk niet.
De Raad onderschrijft vorenomschreven reactie van de bezwaarverzekeringsarts.
Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. De weigering tot een toekenning van een WAO-uitkering aan appellant wordt mitsdien ook door de Raad in rechte juist bevonden. Appellant heeft geen afzonderlijke grieven aangevoerd tegen de weigering om appellant als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet REA aan te merken. De Raad ziet evenmin aanleiding om die beslissing onjuist te achten.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2004.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.W. Engelhart.
MR