ECLI:NL:CRVB:2004:AQ3797
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering bij fibromyalgie zonder objectieve beperkingen
Appellant heeft een WAO-uitkering aangevraagd, maar deze werd geweigerd omdat hij na afloop van de wachttijd van 52 weken minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. De Raad van bestuur van het UWV stelde dat appellant geschikt was voor bepaalde functies en geen verlies aan verdiencapaciteit had. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij leed aan fibromyalgie, een chronisch pijnsyndroom, en overhandigde brieven van zijn reumatoloog die aangaven dat patiënten met deze aandoening doorgaans niet in staat zijn tot zwaar en repeterend lichamelijk werk.
De bezwaarverzekeringsarts reageerde dat er geen reumatologisch ziektebeeld was vastgesteld en dat de pijnklachten niet objectief waren geconstateerd. De arts vond geen reden om de belastbaarheid van appellant te beperken. De Raad onderschreef deze beoordeling en zag geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. Ook de beoordeling dat appellant niet als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet REA kon worden aangemerkt, werd bevestigd.
De Centrale Raad van Beroep concludeerde dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er waren geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De weigering van de WAO-uitkering werd daarmee definitief bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering aan appellant wegens onvoldoende objectieve arbeidsongeschiktheid.