ECLI:NL:CRVB:2004:AQ1028
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling dagloon voor Ziektewetuitkering na arbeidsongeschiktheid tijdens dienstverband
Appellant was vanaf 1 september 1999 in dienst bij een bedrijf en werd op 29 december 1999 arbeidsongeschikt. Zijn arbeidsovereenkomst eindigde op 31 augustus 2000. Vanaf 1 september 2000 ontving hij ziekengeld berekend op een dagloon van f 240,10. Appellant betwistte deze vaststelling, stellende dat het dagloon gelijk had moeten zijn aan het dagloon van zijn eerdere werkloosheidsuitkering, omdat hij anders gestraft zou worden voor het accepteren van lager loon.
De rechtbank had het bezwaar van appellant ongegrond verklaard, stellende dat de Algemene dagloonregelen Ziektewet geen garantieregeling kennen zoals artikel 17 van Pro de Dagloonregels IWS en dat er geen grond was om de referteperiode uit te breiden tot de dienstbetrekking voor 25 mei 1999.
In hoger beroep voerde appellant aan dat artikel 13 van Pro de Algemene dagloonregelen Ziektewet van toepassing zou moeten zijn, omdat hij verzekerd was op grond van artikel 46 Ziektewet Pro, dat een garantieregeling bevat. De Raad oordeelde echter dat appellant zijn aanspraak op ziekengeld ontleende aan artikel 29, tweede lid, onder c, Ziektewet, omdat hij arbeidsongeschikt werd tijdens zijn dienstverband en niet na het einde daarvan.
De Raad sloot zich aan bij de rechtbank en verwierp het beroep. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de vaststelling van het dagloon voor de Ziektewetuitkering wordt bevestigd.