Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AQ1028

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 mei 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/5634 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 13 Algemene dagloonregelen ZiektewetArt. 17 Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheidArt. 29 ZiektewetArt. 46 Ziektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging juiste vaststelling dagloon voor Ziektewetuitkering na arbeidsongeschiktheid tijdens dienstverband

Appellant was vanaf 1 september 1999 in dienst bij een bedrijf en werd op 29 december 1999 arbeidsongeschikt. Zijn arbeidsovereenkomst eindigde op 31 augustus 2000. Vanaf 1 september 2000 ontving hij ziekengeld berekend op een dagloon van f 240,10. Appellant betwistte deze vaststelling, stellende dat het dagloon gelijk had moeten zijn aan het dagloon van zijn eerdere werkloosheidsuitkering, omdat hij anders gestraft zou worden voor het accepteren van lager loon.

De rechtbank had het bezwaar van appellant ongegrond verklaard, stellende dat de Algemene dagloonregelen Ziektewet geen garantieregeling kennen zoals artikel 17 van Pro de Dagloonregels IWS en dat er geen grond was om de referteperiode uit te breiden tot de dienstbetrekking voor 25 mei 1999.

In hoger beroep voerde appellant aan dat artikel 13 van Pro de Algemene dagloonregelen Ziektewet van toepassing zou moeten zijn, omdat hij verzekerd was op grond van artikel 46 Ziektewet Pro, dat een garantieregeling bevat. De Raad oordeelde echter dat appellant zijn aanspraak op ziekengeld ontleende aan artikel 29, tweede lid, onder c, Ziektewet, omdat hij arbeidsongeschikt werd tijdens zijn dienstverband en niet na het einde daarvan.

De Raad sloot zich aan bij de rechtbank en verwierp het beroep. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de vaststelling van het dagloon voor de Ziektewetuitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
01/5634 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 15 januari 2001 heeft gedaagde onder meer ongegrond verklaard de bezwaren van appellant tegen het besluit van 6 november 2000, waarbij het dagloon waarnaar de aan hem per 1 september 2000 toegekende uitkering krachtens de Ziektewet wordt berekend, is vastgesteld op f 240,10.
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 20 september 2001 het namens appellant tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant is bij gemachtigde mr. P.A.M. Staal, advocaat te Woerden, op bij aanvullend beroepschrift van 19 februari 2002 aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 18 maart 2002, ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 7 april 2004, waar appellant, zoals aangekondigd, niet is verschenen en waar voor gedaagde is verschenen mr. W.M.J. Evers, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant is met ingang van 1 september 1999 in dienst getreden bij een in Krimpen aan den IJssel gevestigd bedrijf op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van 12 maanden. Voor 1 september 1999 ontving appellant vanaf 25 mei 1999 een uitkering krachtens de Werkloosheidswet naar een dagloon van f 268,21. Op 29 december 1999 is appellant arbeidsongeschikt geworden voor zijn werk bij evenbedoeld bedrijf. De arbeidsovereenkomst is beëindigd per 31 augustus 2000. Ingaande 1 september 2000 is aan appellant door gedaagde ziekengeld uitbetaald naar een dagloon van f 240,10.
Appellant heeft tegen de vaststelling van dit dagloon bezwaar aangetekend op de grond dat, indien hij werkloos was gebleven, hij aanspraak op ziekengeld had kunnen maken naar een dagloon gelijk aan het dagloon van zijn werkloosheidsuitkering. Hij acht zich gestraft voor het feit dat hij werk heeft aanvaard naar aan lager loon dan het loon dat hij voor 25 mei 1999 verdiende.
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde zich op het standpunt gesteld dat het dagloon op correcte wijze is vastgesteld.
De rechtbank heeft gedaagde hierin gevolgd. Daartoe heeft zij overwogen dat de Algemene dagloonregelen Ziektewet geen garantieregeling kennen zoals voorzien in artikel 17 van Pro de Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (hierna: dagloonregels IWS). Voorts heeft de rechtbank overwogen dat er geen grond is om uit te gaan van een referteperiode die zich tevens uitstrekt tot de dienstbetrekking die appellant tot 25 mei 1999 vervulde.
In hoger beroep heeft appellant gewezen op zijn in bezwaar en beroep betrokken stellingen. Daaraan heeft hij toegevoegd dat hij na 1 september 2000 verzekerd was op grond van artikel 46 Ziektewet Pro. Gelet hierop had artikel 13 van Pro de Algemene dagloonregelen Ziektewet moeten worden toegepast. Dit artikel bepaalt dat het dagloon van degene wiens aanspraak op ziekengeld berust op het bepaalde in artikel 46 van Pro de Ziektewet, wordt bepaald op het dagloon waarnaar zijn uitkering ingevolge de Werkloosheidswet zou zijn berekend, zo hij daarop aanspraak zou hebben kunnen maken. Dit betekent in de visie van appellant dat wel degelijk de garantieregeling van artikel 17 van Pro de dagloonregels IWS van toepassing is.
In zijn verweerschrift en ter zitting van de Raad heeft gedaagde betoogd dat appellant zijn aanspraak op ziekengeld per 1 september 2000 ontleende aan artikel 29, tweede lid, onder c, van de Ziektewet en niet aan artikel 46 van Pro deze wet. Laatstgenoemd artikel bepaalt dat degene die binnen een bepaalde periode na het eindigen van zijn verzekering ingevolge de Ziektewet arbeidsongeschikt wordt, onder voorwaarden aanspraak heeft op ziekengeld alsof hij verzekerd is gebleven. Artikel 46 ziet Pro derhalve op de situatie waarin iemand pas arbeidsongeschikt wordt na het einde van zijn verzekering voor de Ziektewet. In het geval van appellant is daarvan geen sprake geweest. Hij is immers tijdens zijn dienstverband arbeidsongeschikt geworden.
De Raad verenigt zich met dit betoog en maakt dit tot het zijne.
Nu de Raad zich ook kan verenigen met hetgeen de rechtbank heeft overwogen, volgt uit het vorenstaande dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2004.
(get.) G. van der Wiel
(get.) R.E. Lysen
MvK17054