ECLI:NL:CRVB:2004:AP9587
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Ch.J.G. Olde Kalter
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens ontbreken arbeidsongeschiktheid op 7 september 1998
Appellant heeft vanaf 13 juli 1998 een aanvraag ingediend voor ziekengeld wegens vermeende arbeidsongeschiktheid. Na terugkeer in Nederland werd appellant op 7 september 1998 onderzocht door een verzekeringsarts die hem niet arbeidsongeschikt achtte. Op basis hiervan werd het ziekengeld geweigerd vanaf die datum.
Appellant stelde dat hij in juli, augustus en september 1998 psychische klachten had en daardoor arbeidsongeschikt was. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde echter, na bestudering van medische gegevens en rapportages, dat er op 7 september 1998 geen sprake was van psychische of somatische problematiek die arbeidsongeschiktheid rechtvaardigde.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellant niet arbeidsongeschikt was op 7 september 1998 en vond geen reden voor nader medisch onderzoek. De eerdere uitspraak werd bevestigd, waarbij tevens werd gewezen op het ontbreken van toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De procedure omvatte een eerdere vernietiging door de rechtbank wegens onvoldoende inlichtingen, maar dit werd in hoger beroep niet anders beoordeeld.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld vanaf 7 september 1998 wegens het ontbreken van arbeidsongeschiktheid.