ECLI:NL:CRVB:2004:AP8195

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/1076 AW + 03/1077 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit niet-plaatsing als chef nieuw team Fraudebestrijding

Appellant, werkzaam als productiechef binnen de afdeling Maatschappelijke Ontwikkeling, maakte bezwaar tegen zijn niet-plaatsing als chef van het nieuw te vormen team Fraudebestrijding. Dit besluit was mede gebaseerd op een draagvlakonderzoek onder medewerkers, waaruit bleek dat een derde van de medewerkers geen vertrouwen had in appellant als leidinggevende.

Appellant voerde aan dat het draagvlakonderzoek onzorgvuldig was uitgevoerd, met name omdat het onderzoek ook medewerkers van het team Sociale Recherche betrof, met wie al lang samenwerkingsproblemen zouden bestaan. De Raad oordeelde echter dat het onderzoek beperkt bleef tot appellants eigen medewerkers en dat het meenemen van de visie van toekomstige ondergeschikten gerechtvaardigd was gezien de integratietaak van de nieuwe chef.

De Raad concludeerde dat de gemeente in redelijkheid het besluit kon baseren op de uitkomsten van het draagvlakonderzoek en dat er geen sprake was van schending van afspraken of onzorgvuldigheid. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit om appellant niet te plaatsen als chef Fraudebestrijding wordt bevestigd.

Uitspraak

03/1076 AW + 03/1077 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 7 januari 2003, nrs. SBR 01/1117 en 02/823, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 13 mei 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. A.L.A. Tortike, juridisch adviseur. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Hoogendoorn, mr. drs. C.E. van der Linden en L.S.M. Rabou, allen werkzaam bij de gemeente Utrecht.
II. MOTIVERING
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Appellant was werkzaam als productiechef van het team Misbruik & Oneigenlijk Gebruik van de afdeling Sociale Zaken & Werkprojecten van de dienst Maatschappelijke Ontwikkeling (hierna: M&O). In de loop van 1999 is het voornemen ontstaan M&O samen te voegen met het team Sociale Recherche (hierna: SR) van diezelfde afdeling tot één team Fraudebestrijding. Naar aanleiding van signalen over samenwerkingsproblemen zijn namens gedaagde individuele gesprekken gevoerd met appellant en daarna met de overige medewerkers van M&O. Uit deze laatste gesprekken - aangeduid als het draagvlakonderzoek - kwam naar voren dat een derde van de medewerkers geen vertrouwen had in appellant als leidinggevende. Appellant heeft daarop zijn werk-zaamheden neergelegd en hem is meegedeeld dat gedaagde zou worden geadviseerd hem niet te benoemen als chef van de nieuw te vormen afdeling Fraudebestrijding. Een en ander is neergelegd in een brief van 14 januari 2000.
1.2. Bij besluit van 16 november 2000 is appellant meegedeeld dat hij niet is geplaatst als chef Fraudebestrijding. Appellant heeft hiertegen onder meer als bezwaar naar voren gebracht dat het draagvlakonderzoek daaraan niet ten grondslag had mogen worden gelegd op de wijze zoals gedaagde dat heeft gedaan. Dit bezwaar is bij het bestreden besluit van 1 mei 2001 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het hierop gerichte beroep van appellant eveneens ongegrond verklaard.
2. Het geschil is, mede gelet op hetgeen daaromtrent namens appellant ter zitting is verklaard, in hoger beroep beperkt tot de vraag of gedaagde zijn besluit appellant niet te plaatsen als chef van het nieuwe team Fraudebestrijding in redelijkheid mede heeft kunnen baseren op de resultaten van het draagvlakonderzoek. Meer in het bijzonder acht appellant het onjuist en in strijd met de afspraken dat gedaagde zijn onderzoek naar de opvattingen van medewerkers over appellant als leidinggevende heeft uitgebreid tot de medewerkers van het team SR, met welke afdeling sedert lang samenwerkingsproblemen bestonden. Een en ander maakt het plaatsingsbesluit van 16 november 2000 onzorgvuldig, aldus appellant.
3. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat bovengestelde vraag bevestigend moet worden beantwoord. Het draagvlakonderzoek is, anders dan namens appellant is betoogd, beperkt gebleven tot appellants eigen medewerkers, zodat in dat opzicht niet in strijd met enige afspraak is gehandeld. Uit dit onderzoek bleek dat een derde van de medewerkers geen vertrouwen had in appellant als leidinggevende. Gedaagde mocht daarin naar het oordeel van de Raad een argument vinden om appellant niet te benoemen als leidinggevende in de nieuwe afdeling. Dat appellant zelf had verklaard (eerst) aanleiding te zien zijn huidige functie ter beschikking te stellen indien een meerderheid van de medewerkers hem niet het vertrouwen zou schenken, behoefde voor gedaagde bij de keuze voor een nieuwe chef niet doorslaggevend te zijn. Ook wat dat betreft valt niet in te zien dat gemaakte afspraken zijn geschonden of dat sprake is van onzorgvuldigheid. De Raad acht het voorts vanzelfsprekend dat gedaagde mede acht heeft geslagen op de visie van de medewerkers van de afdeling SR zijnde de toekomstige ondergeschikten van de nieuwe chef Fraudebestrijding. Gelet op het feit dat het bevorderen van de integratie en samenwerking van beide oude afdelingen een belangrijke taak voor de nieuwe leiding-gevende zou zijn, heeft gedaagde zich in het licht van het vorenstaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat appellant daarvoor niet de juiste persoon was.
4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De uitspraak dient, voorzover aangevochten, te worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. K. Zeilemaker enmr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2004.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) P.W.J. Hospel.