ECLI:NL:CRVB:2004:AP8086
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- G.J.H. Doornewaard
- J.B.J.M. ten Berge
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en geschiktheid voor functies bij extreme vermoeidheidsklachten
Appellant, lijdend aan extreme vermoeidheidsklachten, betwistte de intrekking van zijn WAO-uitkering per 17 september 1999. De rechtbank had de intrekking bevestigd, maar appellant voerde hoger beroep tegen deze beslissing.
De Centrale Raad van Beroep onderzocht of appellant fysiek en/of psychisch meer beperkt was dan door het UWV was aangenomen en of hij de werkzaamheden van de voorgehouden functies kon verrichten. Diverse medische onderzoeken, waaronder door internist Van der Meer, concludeerden dat appellant matige beperkingen had passend bij het chronisch vermoeidheidssyndroom, maar geen objectief medisch gegronde beperkingen die verder gingen dan door het UWV was vastgesteld.
De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht het oordeel van de onafhankelijke medische deskundigen volgde en dat de opname in het herstellingsoord niet duidde op verslechtering van de gezondheidstoestand. Ook arbeidskundig was vastgesteld dat de voorgehouden functies binnen de belastbaarheid van appellant vielen. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt afgewezen en de intrekking van de WAO-uitkering per 17 september 1999 bevestigd.