AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Centrale Raad van Beroep over inkomensschommelingen bij landbouwondernemers voor studiefinanciering en tegemoetkoming onderwijsbijdrage
Betrokkenen, landbouwondernemers die gebruik maakten van een fiscale regeling om grond van ondernemingsvermogen naar privévermogen te heretiketteren, kregen een hoge ouderlijke bijdrage opgelegd op basis van hun peiljaarinkomen. De IB-Groep weigerde hun verzoek om een recenter inkomen te hanteren voor studiefinanciering en tegemoetkoming onderwijsbijdrage.
De rechtbank Breda verklaarde het beroep van betrokkene 1 ongegrond, terwijl de rechtbank Almelo de beroepen van andere betrokkenen gegrond verklaarde en de IB-Groep opdroeg nieuwe besluiten te nemen. De Centrale Raad van Beroep moest beoordelen of de inkomensdalingen na het peiljaar normale inkomensschommelingen zijn zoals bedoeld in de WSF 2000 en WTOS.
De Raad oordeelde dat een eenmalige gebeurtenis niet automatisch uitsluit dat een inkomensschommeling normaal is, maar dat in dit geval de terugval in inkomen te extreem en uniek was om als normaal te worden beschouwd. De Raad bevestigde dat de terugval niet tot normale inkomensschommelingen behoort en vernietigde het besluit van de IB-Groep voor betrokkene 1, terwijl de uitspraken van de rechtbank Almelo werden bevestigd.
De IB-Groep werd veroordeeld in de proceskosten en moest het betaalde griffierecht aan betrokkene 1 vergoeden. Tevens werd een nieuw besluit op bezwaar opgedragen. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige beoordeling van inkomensschommelingen bij zelfstandige ondernemers binnen het kader van studiefinanciering en tegemoetkomingen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het besluit van de IB-Groep voor betrokkene 1 en bevestigt de uitspraken van de rechtbank Almelo, waarbij de terugval in inkomen niet als normale inkomensschommeling wordt beschouwd.
[betrokkene 1], wonende te [woonplaats 1] appellant (betrokkene 1),
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, gedaagde,
alsmede in de gedingen tussen:
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, appellante (hierna: de IB-Groep),
en
[betrokkene 2], wonende te [woonplaats 2], gedaagde (betrokkene 2),
[betrokkene 3], wonende te [woonplaats 3], gedaagde (betrokkene 3),
[betrokkene 4], wonende te [woonplaats 4], gedaagde (betrokkene 4),
[betrokkene 5], wonende te [woonplaats 5], gedaagde (betrokkene 5), en
[betrokkene 6], wonende te [woonplaats 6] gedaagde (betrokkene 6),
hierna tezamen met betrokkene 1 ook te noemen: betrokkenen.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Bij besluit van 17 augustus 2002 heeft de IB-Groep het verzoek van betrokkene 1 afgewezen om de berekening van de veronderstelde ouderlijke bijdrage in de zin van artikel 3.13 van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) over het studiefinan-cieringstijdvak 2002 te baseren op zijn inkomen in een recenter jaar dan het peiljaar 2000. Het hiertegen ingediende bezwaar is bij besluit van 4 oktober 2002 (hierna: het bestreden besluit 1) door de IB-Groep ongegrond verklaard.
Vervolgens heeft mr. M.J.C.M. Peters-Jansen, werkzaam bij GIBO Accountants en Adviseurs, namens betrokkene 1 op bij beroepschrift en aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden bij de rechtbank Breda beroep ingesteld tegen het bestreden
besluit 1.
De rechtbank Breda heeft dit beroep bij uitspraak van 23 april 2003, nr. AWB 2002/1195 WSFBSF K1 ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft mr. M.J.C.M. Peters-Jansen voornoemd namens betrokkene 1 op bij beroepschrift en aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.
De IB-Groep heeft in reactie op dit hoger beroep een verweerschrift ingediend.
De rechtbank Almelo heeft bij afzonderlijke uitspraken van 9 september 2003, nrs. 03/75 WTSBTS, 02/1734 WTSBTS en 03/299 WTSBTS, en 12 november 2003, nr. 03/912 WSFBSF, de beroepen gegrond verklaard van betrokkenen 2, 3, 4 en 6, welke beroepen betrekking hebben op de gehandhaafde weigeringen van de IB-Groep om de berekening-en van de toetsingsinkomens in de zin van artikel 2.24 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) van betrokkenen 2, 3, 4 en 6 te baseren op hun inkomens in een recenter jaar dan het peiljaar 2000 en aan hen voor het schooljaar 2002-2003 tegemoetkomingen in de zin van hoofdstuk 3 van die wet toe te kennen. Verder heeft de rechtbank Almelo bij uitspraak van 13 oktober 2003, nr. 03/532 WSFBSF 80, het beroep gegrond verklaard van betrokkene 5. Dit beroep heeft betrekking op de gehandhaafde weigering van de IB-Groep om de berekening van de veronderstelde ouderlijke bijdrage van betrokkene 5 over het studiefinancieringstijdvak 2003 te baseren op diens inkomen in een recenter jaar dan het peiljaar 2001. Bij genoemde uitspraken heeft de rechtbank Almelo de in de desbetreffende gedingen bestreden besluiten op bezwaar vernietigd en de IB-Groep opgedragen om nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze uitspraken heeft overwogen, een en ander met aanvullende beslissingen inzake vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Tegen elk van de uitspraken van de rechtbank Almelo die hiervoor zijn vermeld is door de IB-Groep afzonderlijk hoger beroep ingesteld op bij beroepschriften en aanvullende beroepschriften aangevoerde gelijkluidende gronden.
Namens betrokkenen 2, 4, 5 en 6 heeft mr.drs. J.P.G. Paffen, werkzaam bij GIBO Accountants en Adviseurs, gelijkluidende verweerschriften ingediend in elk van de gedingen waarin deze betrokkenen partij zijn.
De zaken zijn gevoegd en behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 mei 2004. Aldaar is betrokkene 3 niet verschenen en hebben de andere betrokkenen zich laten vertegenwoordigen door mr.drs. J.P.G. Paffen voornoemd. De IB-Groep heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. P.E. Merema.
II. MOTIVERING
Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraken voor een uitgebreidere weergave van de feiten en omstandigheden die in de onderhavige gedingen van belang zijn, volstaat de Raad met het volgende.
Uit de voorhanden zijnde gegevens leidt de Raad af dat betrokkenen ondernemers zijn die elk een eigen landbouwbedrijf exploiteren. In verband met voor hen nadelige wijzigingen in de thans in artikel 3.12 van de Wet inkomstenbelasting 2001 neergelegde regeling inzake de fiscale landbouwvrijstelling, is door betrokkenen 1, 2, 3, 4 en 6 per
27 juni 2000 en door betrokkene 5 per 1 januari 2001 gebruik gemaakt van de door de Staatssecretaris van Financiën in zijn besluit van 23 mei 2001, nr. RTB2001/220, wegens bijzonder geachte omstandigheden eenmalig aan ondernemers die (op eigen grond) een landbouwbedrijf exploiteren geboden mogelijkheid om tot het ondernemingsvermogen behorende grond onder en bij hun bedrijfswoningen te heretiketteren als privé-vermogen. Vanwege deze keuzeherzieningen zijn in 2000 respectievelijk 2001 hoge bedragen ten bate van de winst uit onderneming van betrokkenen gebracht. In verband daarmee heeft de IB-Groep de veronderstelde ouderlijke bijdrage ten laste van betrokkenen 1 en 5 over het studiefinancieringstijdvak 2002 respectievelijk 2003 vastgesteld op een navenant hoog bedrag en zijn de aanvragen van een tegemoetkoming voor het schooljaar 2002-2003 van de andere betrokkenen afgewezen. Verder heeft de IB-Groep afwijzend beslist op de verzoeken van betrokkenen om hun inkomen in een recenter jaar dan het peiljaar 2000 respectievelijk 2001 in aanmerking te nemen voor de bepaling van hun aanspraken en die van hun kinderen over genoemde periodes. Tegen deze besluiten hebben betrokkenen bezwaar doen maken, welke bezwaren de IB-Groep bij de bestreden besluiten heeft verworpen op de aan artikel 3.10, tweede lid, aanhef en onder a, van de WSF 2000 dan wel artikel 2.28, tweede lid, aanhef en onder a, van de WTOS ontleende grond dat de baten die voortvloeien uit het overbrengen van vermogensbestanddelen van het bedrijfsvermogen naar het privé-vermogen samenhangen met het ondernemerschap, zodat de inkomensdalingen na het peiljaar worden gerekend tot de normale risico’s bij de manier waarop betrokkenen hun inkomen verwerven.
In de onderhavige gedingen dient de Raad een antwoord te geven op de vraag of de bestreden besluiten - gelet op hetgeen in hoger beroep door partijen is aangevoerd - in rechte stand kunnen houden.
Tussen partijen is uitsluitend in geschil of bij de bestreden besluiten terecht en op goede gronden is beslist dat de terugval in het inkomen van betrokkenen na het peiljaar kan worden gerekend tot ‘inkomensschommelingen die in het algemeen normaal kunnen worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwerving’, als bedoeld in artikel 3.10, tweede lid, aanhef, en onder a, van de WSF 2000 dan wel artikel 2.28, tweede lid, aanhef, en onder a, van de WTOS.
Betrokkenen hebben in dit verband aangevoerd dat - zakelijk weergegeven - de oorzaak van hun hoge inkomens in het peiljaar binnen hun bedrijfsvoering volstrekt uniek is en niet was te voorzien en dat de terugval in hun inkomens na het peiljaar - gelet op de schommelingen in andere jaren - extreem groot is geweest. Daarbij is door betrokkenen aangegeven dat zij in het peiljaar met hun bedrijfseigen activiteiten geen significant betere resultaten hebben behaald dan in andere jaren, zodat er ten tijde van belang geen extra liquide middelen beschikbaar waren om de kosten van studie en levensonderhoud van hun kinderen te betalen.
De IB-Groep heeft aangevoerd dat indien een inkomensschommeling optreedt tengevolge van een eenmalige gebeurtenis, dit niet zonder meer impliceert dat er geen sprake is van een inkomensschommeling die in het algemeen normaal kan worden geacht. Verder heeft de IB-Groep zich op het standpunt gesteld dat nu ondernemingswinst de resultante kan zijn van een groot aantal factoren, inkomensschommelingen die het gevolg zijn van wijzigingen in één of meer van deze factoren ten principale en ook in de onderhavige gedingen als in het algemeen normaal zijn te beschouwen.
Ter onderbouwing van haar standpunt heeft de IB-Groep kopieën overgelegd van een drietal beschikkingen als bedoeld in artikel 128 vanPro de Beroepswet (oud) en een negental uitspraken waarin is geoordeeld dat schommelingen in het inkomen van ondernemers in het algemeen normaal zijn te achten bij de gekozen wijze van inkomensverwerving.
De Raad overweegt als volgt.
Uit constante jurisprudentie, die door de Raad onder meer is bevestigd bij uitspraak van 29 maart 2002, nrs. 01/2839 WSF en 01/2840 WSF (LJN-nummer AE3761, USF 2002-2003, nr. 13), vloeit voort dat ter beantwoording van de vraag welke inkomensschom-melingen in het algemeen normaal moeten worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwerving in elk geval in ogenschouw moeten worden genomen:
? de aard van de gebeurtenissen die aan de inkomensschommelingen ten grondslag liggen, in relatie tot de gekozen wijze van inkomensverwerving, en
? de mate waarin bij de gekozen wijze van inkomensverwerving inkomensschom-melingen plegen voor te komen.
Hieruit volgt dat de door de IB-Groep ingenomen stelling juist is dat indien een inkomensschommeling optreedt tengevolge van een eenmalige gebeurtenis, dit niet zonder meer impliceert dat er geen sprake is van een inkomensschommeling die in het algemeen normaal kan worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwerving. Immers, eenmaligheid is niet de enige factor die de aard van een gebeurtenis kan bepalen; tevens dient te worden gezien naar de andere in het concrete geval te onderscheiden relevante kenmerkende feiten en omstandigheden. Dat eenmaligheid niet per definitie een doorslaggevende rol speelt bij de beantwoording van de vraag welke inkomensschom-melingen in het algemeen normaal moeten worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwerving, laat naar het oordeel van de Raad evenwel onverlet dat indien een inkomensschommeling optreedt tengevolge van een eenmalige gebeurtenis, dit een, mogelijk zelfs doorslaggevende, aanwijzing kan zijn dat er geen sprake is van een normale inkomensschommeling in de zin van de eerder aangehaalde wettelijke regelingen.
Verder acht de Raad het gegeven dat ondernemingswinst de resultante kan zijn van een groot aantal factoren, onvoldoende om de daaruit door de IB-Groep getrokken conclusie te dragen dat inkomensschommelingen die het gevolg zijn van wijzigingen in deze factoren ten principale en ook in de onderhavige gedingen als in het algemeen normaal zijn te beschouwen. In het uitgangspunt dat tevens in ogenschouw moet worden genomen de mate waarin bij de gekozen wijze van inkomensverwerving inkomensschommelingen plegen voor te komen, ligt naar het oordeel van de Raad voor wat betreft de onderhavige gedingen niet meer besloten dan dat rekening dient te worden gehouden met de gegevens die bekend zijn over de specifieke wijze van inkomensverwerving van betrokkenen en de mate waarin schommelingen zich plegen voor te doen in de branche waarin zij als zelfstandig ondernemer werkzaam zijn.
Ten aanzien van de uitspraken waarnaar de IB-Groep ter onderbouwing van haar standpunt in hoger beroep heeft verwezen overweegt de Raad dat in bedoelde uitspraken oordelen zijn gegeven met betrekking tot individuele gevallen en dat de IB-Groep aan deze oordelen een te algemene strekking toekent.
De Raad onderschrijft het in de door de IB-Groep aangevallen uitspraken neergelegde oordeel van de rechtbank Almelo en de overwegingen waarop dit oordeel berust. De Raad komt derhalve tot de slotsom dat bij het beeld van de situatie zoals dat naar voren komt uit de voorhanden zijnde gegevens de terugval in de inkomens van betrokkenen na het peiljaar niet kan worden gerekend tot de inkomensschommelingen die in het algemeen normaal kunnen worden geacht bij de door hen gekozen wijze van inkomens-verwerving. In de omstandigheid dat de terugval in de inkomens van betrokkenen die zich na het peiljaar heeft voorgedaan inherent is aan de gekozen wijze van inkomens-verwerving, in die zin dat uitsluitend ondernemers die (op eigen grond) een landbouw-bedrijf exploiteren ervoor hebben kunnen kiezen om een beroep te doen op het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 23 mei 2001, ziet de Raad geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen.
In hetgeen hiervoor is overwogen, ligt besloten dat het hoger beroep van betrokkene 1 doel treft en de hoger beroepen van de IB-Groep niet, zodat de aangevallen uitspraak van de rechtbank Breda moet worden vernietigd en de aangevallen uitspraken van de rechtbank Almelo voor bevestiging in aanmerking komen. Verder moet het inleidend beroep van betrokkene 1 alsnog gegrond worden verklaard en dient het bestreden besluit 1 te worden vernietigd. De Raad ziet daarbij aanleiding om de IB-Groep op te dragen om ook op het bezwaar van betrokkene 1 een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
De Raad acht in verband met hetgeen hiervoor is overwogen termen aanwezig om de IB-Groep te veroordelen in de proceskosten, welke zijn begroot op € 322,- als kosten van ten behoeve van betrokkene 1 verleende rechtsbijstand in beroep en op € 966,- als kosten van ten behoeve van betrokkenen 1, 2, 4, 5 en 6 verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal derhalve € 1.288,-. Met betrekking tot de begroting van de kosten van verleende rechtsbijstand in hoger beroep heeft de Raad onder meer in aanmerking genomen dat de gedingen in hoger beroep moeten worden aangemerkt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 vanPro het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Ten slotte stelt de Raad vast dat het door betrokkene 1 betaalde griffierecht van € 116,- (€ 87,- plus € 29,-) door de Informatie Beheer Groep dient te worden vergoed en dat van de Informatie Beheer Groep een recht van € 2.045 (5 maal € 409,-) dient te worden geheven.
III. BESLISSINGEN
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak van de rechtbank Breda;
Verklaart het inleidende beroep van betrokkene 1 alsnog gegrond en vernietigt het bestreden besluit 1;
Bepaalt dat de IB-Groep een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene 1 neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Bevestigt de aangevallen uitspraken van de rechtbank Almelo;
Veroordeelt de IB-Groep in de proceskosten van betrokkenen 1, 2, 4, 5 en 6 tot een bedrag van € 1.288,-, te betalen door de Informatie Beheer Groep;
Bepaalt dat de Informatie Beheer Groep aan betrokkene 1 het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 116,- vergoedt;
Bepaalt dat van de Informatie Beheer Groep een griffierecht wordt geheven van
€ 2.045,-.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en
mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. van Huussen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2004.