Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AP7976

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/2329 CSV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16d Coördinatiewet Sociale VerzekeringArt. 4:6 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging hoofdelijk aansprakelijkheid voor onbetaalde premies ondanks verzoek tot terugkomen van besluit

Appellant is op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor onbetaald gelaten premies door een besloten vennootschap. Dit besluit is onherroepelijk geworden omdat er geen rechtsmiddelen tegen zijn aangevoerd.

Appellant verzocht bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) om terug te komen van deze aansprakelijkstelling, stellende dat de curator in het faillissement van de vennootschap had afgezien van een procedure wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur, wat volgens appellant aanleiding zou moeten zijn voor heroverweging.

De Raad oordeelt dat dit geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn zoals vereist op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De beslissing van de curator was reeds bekend ten tijde van het oorspronkelijke besluit. Het verzoek kon daarom zonder nader onderzoek worden afgewezen met verwijzing naar het eerdere besluit.

De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank die het beroep van appellant ongegrond verklaarde en wijst het verzoek tot terugkomen af. Tevens wordt benadrukt dat de kennelijke onjuistheid van het oorspronkelijke besluit geen doorslaggevende rol speelt bij de beoordeling van een verzoek tot terugkomen.

De uitspraak is gedaan door rechter R.C. Schoemaker en uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2004.

Uitkomst: Het verzoek van appellant om terug te komen van de hoofdelijk aansprakelijkstelling wordt afgewezen en de eerdere uitspraak wordt bevestigd.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/2329 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. W.F. Roelink, advocaat te Hoofddorp, hoger beroep ingesteld bij de Raad tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, kenmerk 00/9554 ALGEM, waarbij het beroep van appellant tegen het besluit van gedaagde van 8 augustus 2000 ongegrond is verklaard.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 mei 2004, waar voor appellant is verschenen mr. Roelink, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. N.M.D. van Beek, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 18 november 1999 heeft gedaagde appellant op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor door [naam B.V.] onbetaald gelaten premies. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangevoerd, zodat dit rechtens verbindend is geworden. Het thans aan de orde zijnde verzoek van appellant van 11 januari 2000 strekt ertoe dat gedaagde van dit eerdere besluit terugkomt.
Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.
Ter ondersteuning van zijn verzoek heeft appellant aangevoerd dat, nu de curator in het faillissement van [naam B.V.] heeft afgezien van een procedure wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur van appellant, ook gedaagde de aansprakelijkstelling had moeten heroverwegen. Daarbij gaat het echter niet om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin, aangezien de beslissing van de curator, zo dit al enige invloed zou hebben op de beslissing van gedaagde, reeds bekend was voor het besluit tot aansprakelijkstelling van 18 november 1999.
Gedaagde was dan ook bevoegd om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 18 november 1999. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.
De Raad voegt hieraan toe dat, zoals hij ook in zijn uitspraak van 4 december 2003 (LJN AN9805, JB 2004,32; USZ 2004,52) heeft geoordeeld, de in de aangevallen uitspraak en van de zijde van appellante verdedigde rechtsopvatting dat ook moet worden bezien of feiten en omstandigheden zijn aangedragen die de evidente onjuistheid van het oorspronkelijke besluit aantonen niet langer wordt onderschreven. De Raad is thans van oordeel dat (kennelijke) onjuistheid van het oorspronkelijke besluit - om het even of dit een ambtshalve genomen besluit betrof, zoals in evengenoemde uitspraak, of een besluit op verzoek, zoals in het onderhavige geding, op zichzelf geen beslissende rol speelt.
Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2004.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.E. Lysen.