ECLI:NL:CRVB:2004:AP4353
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering tot verhoging WAO-uitkering wegens onvoldoende toename arbeidsongeschiktheid
Appellant, geboren in 1951 en werkzaam als schoonmaker, meldde zich in 1989 ziek en ontving vanaf 1990 een WAO-uitkering. De mate van arbeidsongeschiktheid was sinds 1998 vastgesteld op 25-35%. Appellant meldde zich in 1998 toegenomen arbeidsongeschikt vanwege klachten aan schouder, nek en hoofd. Het UWV besloot in 2000 dat de uitkering niet verhoogd zou worden omdat de mate van arbeidsongeschiktheid niet was toegenomen.
In hoger beroep voerde appellant geen nieuwe feiten aan die tot een ander oordeel konden leiden. De Raad concludeerde dat appellant weliswaar medische beperkingen had, maar nog in staat was de voorgestelde functies te vervullen. De medische beoordeling, onder meer door een bezwaarverzekeringsarts, werd als niet overschat beschouwd.
De Raad oordeelde dat de verslechtering van de gezondheidstoestand na 30 augustus 1999, die later tot verhoging van de uitkering leidde, buiten beschouwing bleef. Ook de arbeidskundige bezwaren leidden niet tot een andere indeling. Gelet op artikel 8:69 Awb Pro was het bestreden besluit rechtsgeldig en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering tot verhoging van de WAO-uitkering per 30 augustus 1999.