ECLI:NL:CRVB:2004:AP2779
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake weigering herziening WAO-uitkering wegens psychische beperkingen
Appellant, sinds 1986 arbeidsongeschikt verklaard met een mate van 80 tot 100%, ontving vanaf 1995 een WAO-uitkering van 15 tot 25%. In november 1999 meldde hij toegenomen arbeidsongeschiktheid door psychische beperkingen, waarop het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de verhoging van zijn uitkering weigerde, stellende dat deze beperkingen een andere oorzaak hadden dan de reeds erkende lichamelijke klachten.
De Raad overwoog dat appellant geen relevant procesbelang had bij beoordeling van het eerdere besluit en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. De Raad nam het besluit van 30 december 2002 als bestreden besluit in behandeling, waarin de uitkering was aangepast op basis van lichamelijke beperkingen, maar niet verhoogd wegens psychische klachten.
De medische stukken toonden aan dat appellant pas vanaf november 1995 psychische problemen had, die niet samenhingen met de oorspronkelijke lichamelijke klachten. De Raad onderschreef het standpunt van Uwv dat de psychische beperkingen een andere oorzaak vormden, waardoor verhoging van de uitkering op grond van artikel 37 lid 2 WAO Pro terecht werd geweigerd.
Appellant had geen bezwaar tegen de aanpassingen van de uitkering op basis van lichamelijke beperkingen. De Raad zag geen aanleiding om de deskundigheid van de verzekeringsartsen ter discussie te stellen en wees het verzoek tot inschakeling van een onafhankelijk medisch specialist af.
De Raad veroordeelde Uwv tot betaling van de proceskosten en bepaalde dat het griffierecht aan appellant wordt vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond; de uitkering wordt niet verhoogd wegens psychische beperkingen.