ECLI:NL:CRVB:2004:AP2727
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over WAO-uitkering wegens onjuiste vaststelling maatmaninkomen en verdiencapaciteit
Appellante stelde beroep in tegen het besluit van het UWV om haar geen WAO-uitkering toe te kennen, omdat zij volgens het UWV minder dan 15% arbeidsongeschikt was. De rechtbank had het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. In hoger beroep betwistte appellante de hoogte van het maatmaninkomen en de geschiktheid van geselecteerde functies vanwege diploma-eisen.
De Raad oordeelde dat het medisch oordeel van de rechtbank juist was, maar dat het arbeidskundig oordeel onvolledig was. De Raad accepteerde een hoger maatmaninkomen van ƒ 28,63 per uur, mede door rekening te houden met meeruren en vakantietoeslag. Tevens werd vastgesteld dat appellante met haar LHNO-diploma geschikt was voor de functie van bankbediende, waarvoor een VBO-diploma vereist is.
Hierdoor werd de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 15 tot 25%, wat leidt tot het vernietigen van het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. De Raad beveelt het UWV een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak en veroordeelt het UWV tot vergoeding van proceskosten en betaalde leges.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met een hogere vaststelling van de arbeidsongeschiktheid.