ECLI:NL:CRVB:2004:AP2612
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- M.S.E. Wulfraatt-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante verzocht om een WAO-uitkering, die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) werd geweigerd omdat zij op 11 juli 2000 minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Na bezwaar en een eerdere afwijzing door de rechtbank Maastricht, kwam appellante in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad toetste of appellante op de datum in geding daadwerkelijk niet geschikt was voor de aan haar voorgehouden functies op de arbeidsmarkt. De Raad hechtte zwaar aan een neuropsychologisch rapport van april 2000 dat beperkte cognitieve beperkingen constateerde, maar geen ernstig verlies van inzicht of redeneervermogen. Een brief van juli 2000 bevestigde dat haar medische situatie niet was verslechterd.
Hoewel appellante later werd toegelaten tot de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW) en daar werkte, oordeelde de Raad dat een WSW-indicatie niet gelijkgesteld kan worden met arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAO. Medisch deskundigen bevestigden dat haar beperkingen in juli 2000 minder ernstig waren dan later. De Raad vond dat de belastbaarheid van appellante voldoende was meegewogen en bevestigde het bestreden besluit.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid op de peildatum.