ECLI:NL:CRVB:2004:AP1839

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/3459 WAO + 04/1064 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Th.C. van Sloten
  • G.M.T. Berkel-Kikkert
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 Awb
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens onjuiste kwalificatie terugvordering onverschuldigde betaling

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Zutphen inzake de terugvordering van een onverschuldigd betaalde uitkering die per abuis op zijn bankrekening was gestort. Gedaagde, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), had appellant verzocht het bedrag terug te betalen en verklaarde het bezwaar tegen deze terugvordering niet-ontvankelijk.

De rechtbank had het bezwaar vernietigd en gedaagde opgedragen een nieuw besluit te nemen. Bij besluit II handhaafde gedaagde het oorspronkelijke besluit, waarop appellant hoger beroep instelde. De Raad oordeelde dat het opeisen van het bedrag dat op een verkeerd bankrekeningnummer was gestort geen publiekrechtelijke rechtshandeling is en dus geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Hierdoor was het bezwaar tegen de brief van 15 juni 2000 niet-ontvankelijk en had gedaagde het bezwaar ten onrechte ongegrond verklaard. De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en veroordeelde gedaagde in de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het terugvorderen van een onverschuldigde betaling op een verkeerd bankrekeningnummer geen besluit in de zin van de Awb is.

Uitspraak

03/3459 WAO
04/1064 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te Apeldoorn, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 6 juni 2003, reg.nr. 02/478 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 27 januari 2004 heeft gedaagde aan de Raad gezonden een nader (ongedateerd) genomen besluit (hierna: besluit II).
Het geding is behandeld ter zitting van 27 april 2004, waar appellant in persoon is verschenen, terwijl gedaagde - zoals aangekondigd - zich niet heeft doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Bij schrijven van 15 juni 2000 heeft gedaagde aan appellant meegedeeld dat er ten onrechte een bedrag van fl. 1.139,53 aan hem is betaald. Gedaagde heeft in deze brief appellant verzocht genoemd bedrag voor 30 juni 2001 terug te betalen onder de mededeling dat als dat niet geschiedt invordering van de totale vordering met toepassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal plaatsvinden.
Bij besluit op bezwaar van 5 april 2002 heeft gedaagde het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift niet voldeed aan het bepaalde in artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank heeft het door appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 5 april 2002 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen.
Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.
Bij het hiervoor genoemde ter uitvoering van de aangevallen uitspraak door gedaagde genomen besluit II is, onder verwijzing naar artikel 57 van Pro de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, het Besluit inzake betaling, terugvordering en tenuit- voerlegging van boeten en onverschuldigd betaalde uitkering en de hoofdstukken 6 (artikel 6:18) en 7 en artikel 8:1 van Pro de Awb, het primaire besluit van 15 juni 2001 gehandhaafd.
Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen moet onder een besluit als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Awb ook worden verstaan een nieuwe beslissing op bezwaar die wordt genomen terwijl er hoger beroep aanhangig is tegen de uitspraak waarbij het oorspronkelijke besluit op bezwaar is vernietigd. Nu met besluit II niet is tegemoet gekomen aan de bezwaren van appellant moet met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, en artikel 6:24 van Pro de Awb het beroep van appellant geacht worden te zijn gericht tegen besluit II. Voorts is de Raad van oordeel dat nu besluit II geheel in de plaats is gekomen van het besluit van 5 april 2002 het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak wegens het ontbreken van enig procesbelang niet-ontvankelijk moet worden verklaard
Besluit II houdt een beslissing in op het bezwaar tegen de brief van 15 juni 2000, waarbij gedaagde appellant heeft verzocht om terugbetaling van een bedrag dat onverschuldigd aan hem is betaald. Deze onverschuldigde betaling is veroorzaakt doordat gedaagde het betreffende bedrag per abuis op een verkeerd bankrekeningnummer (het bankrekening-nummer van appellant) heeft gestort. Het opeisen door gedaagde van een op een verkeerd bankrekeningnummer gestort (uitkerings)- bedrag kan echter niet worden aangemerkt als een publiekrechtelijke rechtshandeling, zodat de brief van 15 juni 2000 geen besluit bevat in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. Dit heeft tot gevolg dat gedaagde bij besluit II het bezwaar tegen de brief van 15 juni 2000 niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Nu gedaagde bij besluit II het bezwaar ten onrechte ongegrond heeft verklaard, komt dit voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal - met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb - het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren.
De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger. Deze worden begroot op € 19,96 in hoger beroep, wegens reiskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep, voorzover dit geacht wordt te zijn gericht tegen besluit II, gegrond;
Verklaart het bezwaar tegen de brief van 15 juni 2000 niet-ontvankelijk;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 19,96.
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 87,-- vergoedt.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2004.
(get.) Th.C. van Sloten
(get.) L. Jörg.