ECLI:NL:CRVB:2004:AP1046
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- J.Th. Wolleswinkel
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en uitkeringsrecht op grond van de AAW
Betrokkene, werkzaam als schoonmaakster, meldde zich in november 1991 ziek wegens ernstige pijnklachten en ontving ziekengeld. Dit werd per 10 september 1992 beëindigd omdat zij toen geschikt werd geacht haar werkzaamheden te hervatten. Latere medische onderzoeken, waaronder door een verzekeringsarts en een psychiater, verschilden in hun conclusies over haar arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank vernietigde het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) dat de uitkering weigerde, en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen. Het Uwv ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het oordeel van de onafhankelijke medisch deskundige, de psychiater Rübsaam, gevolgd moet worden, die concludeerde dat betrokkene vanaf 1 november 1992 tot 1 januari 1996 niet in staat was reguliere arbeid te verrichten.
Desondanks is volgens de Raad geen sprake van een onafgebroken periode van arbeidsongeschiktheid van minimaal 52 weken vanaf 1 november 1992, zoals vereist voor een AAW-uitkering. De Raad bevestigde daarom het eerdere vonnis en veroordeelde het Uwv tot betaling van de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat betrokkene geen recht heeft op AAW-uitkering wegens ontbreken van een onafgebroken arbeidsongeschiktheidsperiode van 52 weken vanaf 1 november 1992.