ECLI:NL:CRVB:2004:AP1041
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- J.Th. Wolleswinkel
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Beoordeling passendheid resterende functies en vaststelling arbeidsongeschiktheidspercentage bij WAO-uitkering
De zaak betreft een geschil over de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid en de passendheid van resterende functies voor een WAO-uitkering. Gedaagde was sinds augustus 1998 arbeidsongeschikt als gevolg van rug- en beenklachten. Het UWV had op basis van medische en arbeidsdeskundige rapporten een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55% vastgesteld en functies aangewezen die gedaagde zou kunnen vervullen.
Gedaagde stelde dat het belastbaarheidspatroon onjuist was vastgesteld, mede omdat de verzekeringsarts geen contact had opgenomen met zijn behandelend artsen en de functies niet overeenkwamen met zijn beperkingen. De rechtbank oordeelde dat de resterende functies niet passend waren omdat onvoldoende aannemelijk was dat gedaagde voldoende vrijheid had om zitten, lopen en staan af te wisselen.
In hoger beroep betwistte het UWV dit oordeel en stelde dat het criterium van maximaal één uur aaneengesloten zitten leidend is, waarbij tussentijds kortdurend vertreden mogelijk moet zijn. De Raad volgde het UWV en oordeelde dat de resterende functies passend zijn en dat de mate van arbeidsongeschiktheid met toepassing van een reductiefactor circa 59% bedraagt. Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 21 februari 2002 ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 21 februari 2002 ongegrond.