ECLI:NL:CRVB:2004:AP0945

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 mei 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/1683 WAO-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J. Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 18 BeroepswetArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening inzake terugvordering WAO-uitkering niet-ontvankelijk verklaard

Verzoekster stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank over de weigering van een WAO-uitkering. Tegelijkertijd verzocht zij om een voorlopige voorziening met betrekking tot een terugvorderingsbesluit van een reeds verstrekte WAO-uitkering.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is omdat niet voldaan werd aan de connexiteitseis van artikel 8:81 Awb Pro. Het hoger beroep betrof de toekenning van de uitkering, terwijl het verzoek om voorlopige voorziening betrekking had op de terugvordering, waarvoor geen bezwaarschrift was ingediend.

Daarmee was er geen materiële samenhang tussen het hoger beroep en het verzoek om voorlopige voorziening, waardoor de voorzieningenrechter niet bevoegd was om de voorlopige voorziening te treffen. De uitspraak werd zonder zitting gedaan en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van connexiteit.

Uitspraak

04/1683 WAO-VV
U I T S P R A A K
van
DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP
inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van Pro de Beroepswet in het geding tussen:
[verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. INLEIDING
Namens verzoekster heeft de heer G.D. den Hengst als gemachtigde van verzoekster bij brief van 22 maart 2004 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 24 februari 2004, nummers 04/102 WAO en 03/4793 WAO.
Namens verzoekster is in datzelfde geschrift tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
II. MOTIVERING
Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en Pro artikel 21 van Pro de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb, kan indien tegen een uitspraak van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van Pro de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Namens verzoekster is bij brief van 22 maart 2004 hoger beroep ingesteld tegen voornoemde uitspraak. Voorwerp van dat geding was de beslissing op bezwaar van 30 oktober 2003, houdende ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 18 maart 2003, waarbij was geweigerd aan verzoekster met ingang van 15 november 1999 een WAO-uitkering toe te kennen.
Namens verzoekster wordt een voorlopige voorziening gevraagd ter zake van het besluit van 4 november 2003 tot terugvordering van de reeds verstrekte uitkering. Tegen dit terugvorderingsbesluit is echter geen bezwaarschrift ingediend.
Vastgesteld moet worden dat niet voldaan wordt aan de zogeheten connexiteitseis die is neergelegd in artikel 8:81 van Pro de Awb. Hoewel voor de bevoegdheid van de voorzieningenrechter van de Raad tot het treffen van een voorlopige voorziening voldoende is dat er op enig moment hoger beroep is ingesteld, dient deze voorwaarde aldus te worden verstaan dat aan de connexiteitseis ook in materiële zin moet worden voldaan, dat wil zeggen dat de gevraagde voorlopige voorziening betrekking moet hebben op het connexe -bestreden- besluit.
Aangezien het hoger beroep ziet op toekenning van een WAO-uitkering en het verzoek om voorlopige voorziening ziet op terugvordering van de reeds verstrekte uitkering heeft het verzoek geen betrekking op het bestreden besluit. Aangezien er tegen het terugvorderingsbesluit van 4 november 2003 geen bezwaarschrift is ingediend, is er geen sprake van een connexe hoofdzaak over de terugvordering.
Het vorenstaande leidt er toe dat het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen kennenlijk niet-ontvankelijk is, zodat de voorzieningenrechter onder toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb zonder zitting uitspraak zal doen.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,
Verklaart het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen, in tegenwoordigheid van E. Blijleven- de Vries als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2004.
(get.) J. Janssen.
(get.) E. Blijleven- de Vries.
JvS
1205