ECLI:NL:CRVB:2004:AP0462
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering en terugvordering wegens schending inlichtingenplicht
Appellant, voormalig meewerkend directeur en aandeelhouder van een voegbedrijf, ontving sinds 1982 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een onderzoek naar mogelijke werknemersfraude, gebaseerd op een boekenonderzoek en een verhoor in 1997, bleek dat appellant werkzaamheden had verricht die niet waren gemeld aan de uitkeringsinstantie.
Gedaagde (het UWV en zijn rechtsvoorgangers) herzag de uitkering met terugwerkende kracht vanaf 1987 en stelde de mate van arbeidsongeschiktheid bij op 65-80%. Tevens werd een bedrag van onverschuldigde uitkeringen teruggevorderd over de periode 1992-1997, met een sanctie wegens schending van de inlichtingenplicht. Appellant voerde aan dat hij zijn werkzaamheden had gemeld via een brief uit 1992 en dat hij slechts een onkostenvergoeding ontving, geen loon.
De rechtbanken verklaarden het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat appellant daadwerkelijk werkzaamheden verrichtte met een substantiële loonwaarde, die niet correct was gemeld. De Raad oordeelde dat appellant geen rechtens te honoreren vertrouwen kon ontlenen aan de eerdere brief en dat de herziening en terugvordering terecht waren. De uitspraken van de rechtbanken werden bevestigd zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering en de terugvordering wegens schending van de inlichtingenplicht.