ECLI:NL:CRVB:2004:AO6132
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na behandeling in Suriname
Appellant was sinds april 1998 in dienst bij een werkgever en meldde zich begin 2000 ziek. Hij wilde zich in Suriname laten behandelen, maar de werkgever weigerde verlof en stelde dat appellant zich in Nederland moest laten behandelen. Ondanks dit reisde appellant toch naar Suriname en beëindigde het dienstverband met wederzijds goedvinden.
Na terugkeer in Nederland vroeg appellant een WW-uitkering aan, die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) geheel werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. Dit besluit werd ook in bezwaar en in eerste aanleg bevestigd.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft de eerdere oordelen en stelt dat appellant zijn dienstverband had kunnen behouden als hij zich in Nederland had laten behandelen. De stelling dat alleen in Suriname adequate hulp mogelijk was, werd niet ondersteund door medische verklaringen. Ook het bezwaar tegen het rapport van de bezwaarverzekeringsarts werd ongegrond verklaard.
De Raad bevestigt daarom de weigering van de WW-uitkering en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.