Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AO5556

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 maart 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/3927 WVG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.I. 't Hooft
  • Th.G.M. Simons
  • G.M.T. Berkel-Kikkert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet voorzieningen gehandicapten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit over gebruik collectief vraagafhankelijk vervoer ondanks medische belemmeringen

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Alkmaar waarin het beroep ongegrond werd verklaard tegen het besluit van het College van burgemeester en wethouders van Hoorn. Dit besluit handhaafde de verlaging en beëindiging van een financiële tegemoetkoming in vervoerskosten, gebaseerd op het standpunt dat het collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV) geen meerkosten met zich brengt en appellant hiervan gebruik kan maken.

Appellant voerde aan dat hij vanwege medische belemmeringen niet in staat is het CVV te gebruiken. De rechtbank oordeelde dat het College het besluit mocht baseren op het advies van een GGD-arts en dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd dat zijn medische toestand het gebruik van het CVV onmogelijk maakt.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft deze overwegingen en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het hoger beroep wordt afgewezen en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot beëindiging van de financiële tegemoetkoming blijft gehandhaafd.

Uitspraak

02/3927 WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. W. Searle, advocaat te Hoorn, op de bij een aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 14 juni 2002, reg. nr. 01/482 WVG, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 6 januari 2004 heeft gedaagde desgevraagd enkele nadere stukken ingezonden.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 21 januari 2004, waar partijen - wat gedaagde betreft met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de feiten en de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften verwijst de Raad, mede gelet op de gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak.
Bij het bestreden besluit van 8 februari 2001 heeft gedaagde in bezwaar gehandhaafd de verlaging in drie stappen en vervolgens de beëindiging per 1 maart 2001 van de eerder op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten en de toepasselijke daarop gebaseerde algemeen verbindende voorschriften aan appellant toegekende financiële tegemoetkoming in de vervoerskosten. Het bestreden besluit berust - kort gezegd - op het standpunt van gedaagde dat het systeem van collectief vraagafhankelijk vervoer (hierna: CVV) geen meerkosten met zich brengt en dat appellant, gelet op het advies van de arts J. Kwast van de GGD West-Friesland van 18 januari 2001, van het CVV gebruik kan maken.
Namens appellant is in beroep - kort weergegeven - aangevoerd dat appellant in verband met zijn medische belemmeringen niet in staat is gebruik te maken van het CVV.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank is tot de slotsom gekomen dat gedaagde het bestreden besluit op het GGD-advies van 18 januari 2001 mocht baseren en dat appellant geen gegevens heeft ingebracht waaruit zou kunnen blijken dat zijn medische toestand zodanig is, dat hij geen gebruik (meer) kan maken van het CVV.
In hoger beroep zijn namens appellant de in eerste aanleg betrokken stellingen herhaald.
Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank die stellingen op goede gronden verworpen. De Raad onderschrijft de overwegingen die de rechtbank tot de slotsom hebben gebracht dat het bestreden besluit in rechte standhoudt.
De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2004.
(get.) M.I. 't Hooft
(get.) M. Renden