ECLI:NL:CRVB:2004:AO4315
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- J.Th. Wolleswinkel
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtsgevolg en rentevaststelling bij studieschuld in hoger beroep
Appellant ontving studiefinanciering in de vorm van leningen voor en na 1992, resulterend in verschillende studieschulden met diverse renteregimes. Gedaagde, de Informatie Beheer Groep, stelde bij bericht van 6 november 2000 de hoogte van de LEN2-schuld en de bijgetelde rente vast, waarna appellant bezwaar maakte. De rechtbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk en vernietigde het besluit, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt dit oordeel deels.
De Raad stelt vast dat het bericht van 6 november 2000 voor zover het de rentevaststelling betreft wel rechtsgevolg heeft en het bezwaar daarom ontvankelijk is. De Raad bevestigt dat eerdere besluiten over de hoofdsom van de schuld bindend zijn en dat bezwaar daartegen niet ontvankelijk is. Appellant voerde aan dat de rente bijtelling onterecht was vanwege uitblijven van berichtgeving en schending van artikel 34a WSF, maar de Raad oordeelt dat dit onvoldoende is om het besluit aan te tasten.
De Raad benadrukt dat appellant redelijkerwijs had kunnen weten van zijn LEN2-schuld en de rente, en dat hij hierover informatie had kunnen inwinnen. De uitspraak van het College van beroep studiefinanciering uit 1998 is niet vergelijkbaar omdat appellant niet in verwarring is gebracht. De Raad verklaart het bezwaar tegen de rentevaststelling ongegrond en bepaalt dat appellant het betaalde griffierecht vergoed krijgt.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de rentevaststelling wordt ontvankelijk maar inhoudelijk ongegrond verklaard.