ECLI:NL:CRVB:2004:AO3841
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens overschrijding vermogensgrens
Appellant ontving sinds 1 december 1999 een bijstandsuitkering volgens de norm voor gehuwden. Het College van burgemeester en wethouders van Oldenzaal herzag het recht op bijstand en vorderde terugbetaling wegens het verzwegen bezit van een bankrekening met een saldo van f 45.500,--, wat de vrijlatingsgrens van f 19.700,-- overschreed.
Appellant stelde dat rekening moest worden gehouden met een schuld aan zijn broer van f 12.000,-- die hij op 28 juli 2000 aflost, en met een reservering voor nog te betalen belasting over 1999. De Raad oordeelde dat deze schuld niet voldeed aan de vereisten voor een daadwerkelijke aflossingsverplichting en dat latente belastingschulden niet in de vermogensvaststelling konden worden meegenomen.
De Raad concludeerde dat appellant ten tijde van de bijstandverlening beschikte over een vermogen dat de vermogensgrens overschreed en dat hij zijn inlichtingenplicht had geschonden. Daarom was het College terecht bevoegd tot intrekking en terugvordering van de bijstand. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering wegens overschrijding van de vermogensgrens.