ECLI:NL:CRVB:2004:AO3751
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- A. Beuker-Tilstra
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Vergoeding immateriële schade wegens langdurige discriminatie door werkgever overheid
Gedaagde was van oktober 1993 tot augustus 1995 tijdelijk werkzaam als inrichtingswerker bij een Rijksinrichting en werd later met terugwerkende kracht in vaste dienst genomen. Tijdens zijn dienstverband werd hij langdurig en stelselmatig gediscrimineerd op grond van ras, wat leidde tot ernstige psychische stoornissen zoals een ernstige depressie en agorafobie. De Commissie Gelijke Behandeling oordeelde dat er sprake was van verboden onderscheid.
Na diverse bezwaar- en beroepsprocedures werd gedaagde een materiële en immateriële schadevergoeding toegekend, maar hij vond deze onvoldoende. De rechtbank stelde de immateriële schadevergoeding vast op €23.000, vermeerderd met belastingen. De Staat ging hiertegen in hoger beroep en betoogde dat de rechtbank een te negatieve voorstelling van zaken had gegeven en dat het bedrag onredelijk hoog was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de langdurige discriminatie en de ernstige psychische en privé-gevolgen voldoende waren vastgesteld en dat de vergoeding van €23.000 billijk was. Het hoger beroep van de Staat werd verworpen. Daarnaast werd de Staat veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierecht. De Raad kon zich niet uitspreken over de financiële afhandeling van eerdere procedures omdat dit buiten het bestreden besluit viel.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt een immateriële schadevergoeding van €23.000 aan gedaagde wegens langdurige discriminatie door zijn werkgever.