ECLI:NL:CRVB:2003:AO5298
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- D.J. van der Vos
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Ontzegging ziekengeld onterecht wegens ontbreken subjectieve uitvalsverwachting
Appellant was werkzaam als productiewerker bij Dupral B.V. en meldde zich op 28 september 1999 ziek met rugklachten. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) ontzegde hem ziekengeld omdat hij bij aanvang van zijn verzekering al ongeschikt zou zijn geweest voor de zwaar rugbelastende werkzaamheden. De rechtbank bevestigde dit standpunt en wees op het beleid en richtlijnen omtrent ongeschiktheid bij aanvang van de verzekering.
De Centrale Raad van Beroep toetste dit en concludeerde dat het ging om de subjectieve verwachting van appellant ten tijde van aanvang van de verzekering. De medische stukken toonden aan dat appellant destijds een lichte scoliose had zonder progressie en dat hij geen eerdere werkervaring had met rugklachten. De Raad vond onvoldoende bewijs dat appellant zijn uitval had kunnen verwachten.
Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Tevens veroordeelde de Raad het Uwv tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde recht. De Raad bevestigde dat de werkzaamheden zwaar rugbelastend waren, maar dat dit niet leidde tot een rechtvaardiging van de weigering van ziekengeld.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het besluit tot ontzegging van ziekengeld wegens ontbreken van een subjectieve uitvalsverwachting bij aanvang van de verzekering.