ECLI:NL:CRVB:2003:AO2527
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid zelfstandige op basis van loondienstfuncties onder WAZ
Appellante, een zelfstandige veehouder, vroeg een uitkering aan op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid door spier- en gewrichtsklachten. Gedaagde, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), wees de aanvraag af omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 25% bedroeg, gebaseerd op de geschiktheid voor functies in loondienst.
Appellante voerde bezwaar aan tegen deze beoordeling, stellende dat haar arbeidsongeschiktheid uitsluitend aan de hand van werkzaamheden in haar eigen bedrijf beoordeeld moest worden, omdat zij niet verplicht kon worden om in loondienst te gaan werken. De rechtbank verwierp dit bezwaar en oordeelde dat de beoordeling volgens de wettelijke criteria juist was uitgevoerd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel en verwees naar de relevante wetsartikelen van de WAZ, waarin is bepaald dat arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op basis van de mogelijkheid om met arbeid te verdienen die gezonde personen met vergelijkbare opleiding en ervaring kunnen verrichten. De Raad benadrukte dat het criterium van het kunnen opdragen van arbeid in loondienst niet langer deel uitmaakt van het arbeidsongeschiktheidscriterium.
De Raad concludeerde dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht werd beoordeeld aan de hand van loondienstfuncties, ook al was appellante nog gedeeltelijk werkzaam in haar eigen bedrijf. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit dat appellante minder dan 25% arbeidsongeschikt is, wordt bevestigd.