ECLI:NL:CRVB:2003:AN8671
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.A.A.G. Vermeulen
- A. Beuker-Tilstra
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling redelijkheid wachtgelduitkering bij ontslag wegens impasse arbeidsrelatie
Gedaagde was sinds 1970 werkzaam bij de gemeente Roosendaal en haar rechtsopvolger. Na een gemeentelijke herindeling en reorganisatie werd zijn functioneren negatief beoordeeld, waarna hij alleen een niet-passende functie vervulde. Na diverse procedures en bezwaar tegen ontslag en ontslagregeling, werd uiteindelijk besloten tot ontslag met een wachtgelduitkering conform het Sociaal Statuut.
De rechtbank vernietigde het besluit over de ontslaguitkering en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen dat rekening houdt met het lange dienstverband en de omstandigheden rondom de herindeling. Het hoger beroep richtte zich op de vraag of de kale wachtgelduitkering zonder aanvullende vergoeding redelijk was.
De Raad oordeelde dat de werknemer vanaf december 1997 mede verantwoordelijk was voor de impasse in de arbeidsrelatie, onder meer door het niet accepteren van passende functies en het afbreken van onderhandelingen. Hierdoor was een wachtgelduitkering op het reguliere niveau redelijk. De Raad bevestigde tevens de proceskostenveroordeling tegen appellant en vernietigde het nadere besluit van 31 januari 2002.
De uitspraak benadrukt dat bij ontslaguitkeringen het aandeel van beide partijen in het ontstaan van de impasse bepalend is voor de redelijkheid van de uitkering, waarbij een lange staat van dienst niet automatisch tot een hogere uitkering leidt.
Uitkomst: De Raad verklaart het beroep tegen de ontslaguitkering ongegrond en bevestigt de toekenning van een reguliere wachtgelduitkering zonder aanvullende vergoeding.