ECLI:NL:CRVB:2003:AN8249
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van arbeidsongeschiktheid en belanghebbendheid opvolgend werkgever in WAO-uitkeringszaak
In deze zaak staat centraal of de werkneemster op 12 januari 1999 arbeidsongeschikt was en of de opvolgend werkgeefster als belanghebbende kan worden aangemerkt in het hoger beroep tegen een WAO-uitkeringsbesluit. De werkneemster was sinds 1991 werkzaam als schoonmaakster en supervisor, en viel op 29 november 1999 uit wegens schouderklachten. Het UWV kende haar een WAO-uitkering toe met ingang van 8 februari 2000, maar stelde de ingangsdatum later vast op 4 april 1999.
De rechtbank oordeelde dat onvoldoende aannemelijk was dat de werkneemster op 12 januari 1999 ziek was, mede gebaseerd op verklaringen van de voormalige werkgever Initial Dienstverlening en het dagoverzicht van het Eden Hotel. Appellante, de opvolgend werkgeefster, stelde dat zij als belanghebbende moest worden aangemerkt omdat de ingangsdatum van de WAO-uitkering invloed heeft op haar loondoorbetalingsverplichting. Tevens voerde zij aan dat de werkneemster op 12 januari 1999 wel ziek was, onderbouwd met verklaringen van het hotel en rapporten van medische deskundigen.
De Raad overwoog dat appellante als opvolgend werkgever belanghebbende kan zijn en dat het niet verwijtbaar is dat zij geen bezwaar of beroep heeft ingesteld tegen het primaire besluit. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat onvoldoende aannemelijk is dat de werkneemster op 12 januari 1999 arbeidsongeschikt was, mede omdat het dagoverzicht van het hotel een onvolledig beeld gaf en er mogelijk sprake was van persoonsverwisseling in de ziekmeldingen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de werkneemster op 12 januari 1999 niet arbeidsongeschikt was en wijst het hoger beroep van de opvolgend werkgever af.