ECLI:NL:CRVB:2003:AM2557
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- J.H. van Kreveld
- P.J. Stolk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens overschrijding bezwaartermijn bij ontslag ambtenaar
Appellant was sinds februari 1999 tijdelijk werkzaam bij het Ministerie van Financiën en kreeg voor de periode van september tot november 1999 compensatie- en vakantieverlof. Na zijn vakantie in Brazilië verscheen hij niet op het werk en reageerde niet op verzoeken om opheldering, waarna zijn bezoldiging werd geblokkeerd en hem ontslag werd verleend per 1 februari 2000.
De besluiten tot blokkering van bezoldiging en ontslag werden per gewone en aangetekende post naar zijn huisadres en dat van zijn ouders gestuurd, terwijl appellant nog in Brazilië verbleef vanwege medische redenen. Pas op 9 december 1999 werd hij via een telefoongesprek op de hoogte gesteld van de besluiten. Hij stelde daarop vragen over zijn ontslag maar maakte pas op 21 januari 2000 formeel bezwaar, na het verstrijken van de bezwaartermijn.
De Raad oordeelt dat appellant niet tijdig bezwaar heeft gemaakt en dat hij niet in verzuimvrijstelling kan worden gesteld. Het was zijn verantwoordelijkheid om tijdens zijn vakantie bereikbaar te zijn of maatregelen te treffen voor postontvangst. Zijn latere informatieverzoeken waren geen bezwaar tegen de besluiten. De Raad bevestigt daarom de uitspraak dat het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard en dat de rechtbank terecht niet op de inhoud van het bezwaar is ingegaan.
Appellants beroep dat hierdoor zijn toegang tot de rechter wordt belemmerd in strijd met artikel 6 EVRM Pro is ongegrond, omdat de toepassing van de Awb-procesregels niet terzijde kan worden gesteld en de overschrijding aan appellant zelf te wijten is. Er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het ontslagbesluit is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn zonder verschoonbare reden.