ECLI:NL:CRVB:2003:AL6998
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- N.J. Haverkamp
- Rechtspraak.nl
Beoordeling nieuw recht op nabestaandenuitkering bij overlijden partner en toepassing artikel 67 Anw
Betrokkene ontving vanaf 1988 een weduwnaarspensioen dat in 1996 werd omgezet in een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Na het overlijden van zijn partner in 1998 meldde hij dit aan de Sociale verzekeringsbank (Svb) en vroeg een nieuwe nabestaandenuitkering aan. De Svb stelde dat betrokkene recht had op een inkomensafhankelijke uitkering, maar dat deze niet werd uitbetaald vanwege zijn inkomen uit arbeid. Tevens werd de inkomensonafhankelijke uitkering ingetrokken en teveel betaalde bedragen teruggevorderd.
De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat er sprake was van een nieuw recht op nabestaandenuitkering en dat de oude uitkering eindigde, maar vernietigde het besluit vanwege strijd met internationale verdragen (ILO-conventie 128 en de Europese Code). Zowel betrokkene als de Svb stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat volgens artikel 67 van Pro de Anw bij het ontstaan van een nieuw recht op nabestaandenuitkering de oude uitkering eindigt. De Raad verwierp de stelling dat internationale verdragen een individueel afdwingbaar recht geven dat het besluit van de Svb zou schenden. De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het inleidend beroep van betrokkene ongegrond.
De Raad wees ook op de toelichting bij de wetswijziging waarin is aangegeven dat het overgangsregime geldt tot het moment dat een nieuw recht op nabestaandenuitkering ontstaat. De uitspraak bevestigt dat de Svb terecht de oude uitkering heeft beëindigd en de nieuwe regeling toepast vanaf het overlijden van de partner.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het besluit van de Sociale verzekeringsbank wordt bevestigd.