ECLI:NL:CRVB:2003:AI1165
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- R. Kooper
- W. van den Brink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag en uitkering na verstoring arbeidsverhouding bij Rijksuniversiteit Groningen
Appellant was sinds 1964 werkzaam bij de Rijksuniversiteit Groningen (RuG) en werd in 1999 ontslagen wegens verstoorde arbeidsverhoudingen na terugkeer van ziekte in 1998. Een onderzoek concludeerde dat reïntegratie op de oude werkplek niet haalbaar was. Na een herplaatsingsonderzoek dat geen passende functie opleverde, verleende de werkgever het ontslag met een uitkering van minimaal 75% van het dagloon.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond voor het ontslag maar gegrond voor de uitkering, omdat de motivering van de uitkeringshoogte onvoldoende was. De werkgever stelde de uitkering vervolgens op 80% van het dagloon. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze beslissing en tegen de heropening van het onderzoek door de rechtbank.
De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht het onderzoek had heropend vanwege ontbrekende gespreksverslagen en dat de beoordeling van ontslag en uitkering in onderling verband moest plaatsvinden. De Raad vond dat het ontslag op goede gronden was gebaseerd op het onderzoeksrapport dat een verstoorde arbeidsverhouding aantoonde en dat de herplaatsingspogingen voldoende waren geweest.
De Raad vond de uitkering van 80% passend gezien de omstandigheden en het aandeel van appellant in de verstoorde situatie. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het beroep tegen het besluit van 4 oktober 2001 werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het ontslag en de aan het ontslag verbonden uitkering van 80% van het dagloon worden bevestigd.