ECLI:NL:CRVB:2003:AI0307
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- R. Kooper
- L.J.A. Damen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit over wachtgelduitkering op grond van de Uitkeringsregeling 1966
Appellant, voormalig groepsleider bij de Rijksinrichting, werd per 1 september 2000 eervol ontslagen en kreeg een wachtgelduitkering toegekend van 70% van zijn laatstgenoten bezoldiging op grond van de Uitkeringsregeling 1966 (UKR). Hij maakte bezwaar tegen de hoogte van deze uitkering en stelde dat hij recht had op 80%, omdat hij meende in vaste dienst te zijn geweest en niet in tijdelijke dienst.
De Raad stelde vast dat appellant terecht als tijdelijk dienstverband was aangemerkt en dat artikel 8c, tweede lid, UKR van toepassing is, wat een uitkering van 70% voorschrijft. Daarnaast voerde appellant aan dat de Minister van Justitie hem in een voorzieningenprocedure een uitkering van 80% had toegezegd, waardoor hij op grond van het vertrouwensbeginsel recht zou hebben op dat percentage.
De Raad oordeelde dat deze uitlatingen niet als een bindende toezegging konden worden beschouwd en dat de bevoegdheid tot het toekennen van de uitkering bij de Minister van Binnenlandse Zaken lag, niet bij de Minister van Justitie. De uitlatingen betroffen een vergissing en hadden geen verdere strekking dan het waarborgen van een substantieel deel van het inkomen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde daarom.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellant op een hogere wachtgelduitkering en het vertrouwensbeginsel wordt afgewezen en het besluit tot toekenning van 70% uitkering bevestigd.