ECLI:NL:CRVB:2003:AI0284

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 juli 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/5988 NABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Th.C. van Sloten
  • Th.G.M. Simons
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 18 Beroepswet
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdverklaring hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring 8:55-uitspraak

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Maastricht waarin zijn beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het ontbreken van de gronden van het beroep. De rechtbank had het verzet tegen deze niet-ontvankelijkverklaring eveneens ongegrond verklaard. Appellant betoogde dat het niet-ontvankelijk verklaren zonder nadere gronden onjuist was en dat bestuursorganen coulanter worden behandeld dan justitiabelen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat op grond van artikel 18, tweede lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet geen hoger beroep mogelijk is tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb. Deze uitspraak betreft een dergelijke 8:55-uitspraak, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk is. Alleen bij evidente schendingen van fundamentele rechtsbeginselen kan hiervan worden afgeweken, hetgeen hier niet het geval was.

Verder stelde de Raad vast dat appellant de gronden van het beroep niet had ingediend, ondanks een duidelijke gelegenheid dit te herstellen. Hierdoor was geen sprake van schending van het recht op een eerlijk proces. De stelling van appellant over coulantere behandeling van bestuursorganen werd niet onderbouwd en kon geen aanleiding geven tot afwijking van het appèlverbod. De Raad zag geen reden voor proceskostenveroordeling en verklaarde zich onbevoegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd om het hoger beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de 8:55-uitspraak te behandelen.

Uitspraak

02/5988 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, op de in het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Maastricht op 21 november 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft geen verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 27 mei 2003, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 16 oktober 2001 heeft gedaagde de uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) van appellant over de periode van 25 november 1996 tot en met 16 maart 2000 ingetrokken, de IOAW-uitkeringen over augustus 2000 en over de periode van maart 2001 tot en met mei 2001 herzien en de ten onrechte ontvangen IOAW-uitkeringen tot een bedrag van f 80.463,67 van hem teruggevorderd. Bij dat besluit heeft gedaagde tevens de door appellant ten onrechte genoten bijzondere bijstand over de periode van 26 november 1996 tot en met 30 juni 1997 tot een bedrag van f 1.397,50 van hem teruggevorderd.
Gedaagde heeft de tegen het besluit van 16 oktober 2001 gemaakte bezwaren bij besluit van 17 juni 2002 ongegrond verklaard.
Bij beroepschrift van 30 juli 2002 heeft appellant bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het besluit van 17 juni 2002. Het beroepschrift bevat niet de gronden van het beroep.
Bij brief van 5 augustus 2002 heeft de griffier namens de rechtbank, onder verwijzing naar artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 2 van Pro de Procesregeling bestuursrecht, appellant verzocht de gronden van het beroep zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken na de dagtekening van de brief in te dienen. Daarbij is erop gewezen dat indien niet aan het verzoek wordt voldaan, het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
Bij schrijven van 9 september 2002 heeft mr. Grégoire zich tot de rechtbank gewend met de mededeling dat appellant hem heeft verzocht appellant in de procedure als gemachtigde bij te staan.
Bij uitspraak van 12 september 2002 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door de gemachtigde namens appellant overeenkomstig artikel 8:55 van Pro de Awb tegen de uitspraak van 12 september 2002 gedane verzet ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen deze uitspraak. Hij heeft daarbij naar voren gebracht dat het zonder meer niet-ontvankelijk verklaren van een op nader aan te voeren gronden ingesteld beroep niet gepast is en dat de rechtbank jegens bestuursorganen coulanter pleegt te zijn dan tegen justitiabelen.
De Raad overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 18, tweede lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet kan geen hoger beroep worden ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb. De aangevallen uitspraak betreft een dergelijke uitspraak en is derhalve volgens het toepasselijke procesrecht niet vatbaar voor hoger beroep.
Voor kennisneming van een appèl in weerwil van deze bepaling kan naar vaste rechtspraak echter grond bestaan, indien sprake is van een evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is.
De Raad is van oordeel dat deze uitzondering zich hier niet voordoet.
Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb bevat het beroepschrift de gronden van het beroep.
In artikel 6:6 van Pro de Awb is - voorzover hier van belang - bepaald dat indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van Pro de Awb of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, dit niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
Vaststaat dat appellant de gronden van het beroep niet bij de rechtbank heeft ingediend en dat hij op kenbare en genoegzame wijze in de gelegenheid is gesteld dit verzuim te herstellen. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat appellant - in strijd met artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden - een eerlijk proces is onthouden. De Raad ziet dan ook geen grond om in dit geval aan het appèlverbod voorbij te gaan, zodat hij zich onbevoegd dient te verklaren.
Hetgeen namens appellant nog is aangevoerd omtrent de in zijn ogen coulantere behandeling van bestuursorganen door de rechtbank doet daaraan geen afbreuk. Nog daargelaten dat deze stelling niet feitelijk is onderbouwd, betreft het hier immers een uitdrukkelijk in de wet met niet-ontvankelijkheid bedreigd voorschrift, zodat reeds hierom niet van een vergelijkbare situatie kan worden gesproken.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart zich onbevoegd.
Aldus gegeven door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2003.
(get) Th.C. van Sloten
(get) P.C. de Wit