ECLI:NL:CRVB:2003:AH9056
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- K. Zeilemaker
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Evenredigheid sanctie vervallenverklaring wachtgeld bij niet tijdig inschrijven arbeidsbureau
Gedaagde was tot 1 februari 1999 werkzaam bij de gemeente Didam en kreeg eervol ontslag met wachtgeld en outplacementfaciliteiten. Na vestiging als advocaat ontstond discussie over de naleving van de inschrijvingsverplichting bij het arbeidsbureau, een voorwaarde voor het ontvangen van wachtgeld. Appellant beëindigde het wachtgeld per 1 juli 2000 wegens niet tijdig inschrijven over twee periodes.
De rechtbank schorste dit besluit en vernietigde het, waarbij werd overwogen dat een volledige vervallenverklaring van het wachtgeld niet in verhouding staat tot de ernst van de nalatigheid, conform het evenredigheidsbeginsel uit de Awb. De Centrale Raad bevestigt dat de sanctie van volledig verval niet passend is en dat het recht op wachtgeld slechts vervalt over de dagen waarop gedaagde niet was ingeschreven.
De Raad oordeelt dat de sanctie evenredig moet zijn aan de duur van de nalatigheid (47 dagen) en dat gedaagde in die periode geen bemiddelingskansen heeft gemist. Het primaire besluit tot volledige beëindiging wordt vernietigd, maar de bevoegdheid tot oplegging van een passende sanctie blijft bestaan. De Raad veroordeelt appellant in de proceskosten en heft griffierecht.
Uitkomst: Het recht op wachtgeld vervalt slechts over 47 dagen van niet tijdige inschrijving, niet volledig.