ECLI:NL:CRVB:2003:AH9040
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.G.M. Simons
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding bevestigd ondanks betwisting
Appellante voerde bezwaar aan tegen de beëindiging van haar bijstandsuitkering per 1 februari 1999, omdat zij en haar partner vanaf 1 december 1998 een gezamenlijke huishouding zouden voeren. Gedaagde stelde vast dat appellante en haar partner hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en dat de partner een kind van appellante had erkend, waardoor volgens de Algemene bijstandswet sprake was van een gezamenlijke huishouding.
Het bezwaar van appellante werd aanvankelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van bezwaarsgronden, maar later alsnog inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de beëindiging van de uitkering terecht was en dat persoonlijke motieven achter de erkenning van het kind en de samenwoning niet relevant zijn voor de vaststelling van een gezamenlijke huishouding.
Daarnaast werden bezwaren tegen besluiten omtrent bijzondere bijstand en boetes eveneens niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van voldoende gronden in de bezwaarschriften. Appellante had de gelegenheid gekregen dit te herstellen, maar maakte hier geen gebruik van. Het hoger beroep werd daarom deels niet-ontvankelijk verklaard en in andere onderdelen ongegrond verklaard.
Uitkomst: Hoger beroep deels niet-ontvankelijk verklaard en besluiten tot beëindiging bijstand en boetes bevestigd.