ECLI:NL:CRVB:2003:AF7617
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verzekeringsplicht op grond van privaatrechtelijke dienstbetrekking
Appellante, een bedrijf in geneesmiddelenontwikkeling, voerde hoger beroep tegen besluiten van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) over de verzekeringsplicht van een betrokkene die in 1993 en 1994 werkzaamheden voor haar verrichtte. De werkzaamheden bestonden uit advisering, tijdelijke vervanging van een werknemer en administratieve taken.
Het Uwv stelde dat betrokkene als werknemer in privaatrechtelijke dienstbetrekking moest worden aangemerkt en dat premies verschuldigd waren. De rechtbank bevestigde dit standpunt, met name vanwege het gezagscriterium. De Raad volgde dit oordeel en overwoog dat appellante een sturende rol had, de werkzaamheden uitvoerend waren, betrokkene een cursus moest volgen, verslag moest uitbrengen en niet vrij over werktijden kon beschikken.
De Raad oordeelde dat het hoger beroep faalt voor het besluit over verzekeringsplicht en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk voor het besluit over administratief verzuim, omdat appellante geen belang had bij een inhoudelijk oordeel daarover. Tevens veroordeelde de Raad het Uwv in de proceskosten van appellante en bepaalde vergoeding van betaalde kosten.
Uitkomst: Het hoger beroep faalt en het besluit over verzekeringsplicht wordt bevestigd.