AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Centrale Raad van Beroep bevestigt afwijzing verzoek uitbetaling extra uren na eervol ontslag
Appellant, voormalig werknemer van de Informatie Beheer Groep, verzocht om uitbetaling van vanaf 1 juli 1993 opgebouwde extra uren na zijn eervol ontslag per 1 augustus 1999 in het kader van de FPU-regeling. Dit verzoek werd door gedaagde afgewezen, waarna appellant bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank Groningen. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand, waardoor een nieuwe beslissing op bezwaar niet noodzakelijk werd geacht.
Gedaagde nam op 13 december 2000 een nieuw besluit waarin het bezwaar wederom ongegrond werd verklaard. Dit besluit werd door appellant aangevochten en door de rechtbank terecht aan de Centrale Raad van Beroep doorgezonden. De Raad oordeelde dat het nieuwe besluit in strijd was met het in artikel 7:1 vanPro de Algemene wet bestuursrecht besloten beginsel dat op een reeds afgedaan bezwaar niet opnieuw kan worden beslist, en vernietigde dit besluit.
De Raad bevestigde verder dat appellant niet voldeed aan de voorwaarde voor vergoeding van overwerk zoals gesteld in artikel 23 vanPro het Bezoldigingsbesluit Informatie Beheer Groep 1994, en vond onvoldoende bewijs voor de door appellant gestelde toezeggingen die een afwijkende regeling zouden vormen. Gezien de inconsistenties in verklaringen en bewijsmateriaal achtte de Raad het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak in stand. Een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot uitbetaling van extra uren wordt afgewezen en het nieuwe besluit van 13 december 2000 wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:1 Awb.
Uitspraak
00/6379 AW en 02/5379 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 17 november 2000, nr. AWB 00/280 AW V02, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Op 13 december 2000 heeft gedaagde, naar aanleiding van de aangevallen uitspraak, een nieuw besluit genomen. Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank. Gedaagde heeft bij de rechtbank een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroepschrift en de daarbij behorende stukken aan de Raad doorgezonden.
Namens appellant is een nader geschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 17 januari 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. P. Hagemeijer, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. El Hamdaoui, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep.
II. MOTIVERING
1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met vermelding van de volgende, als vaststaand aangenomen, gegevens.
1.1. Appellant was werkzaam bij de Informatie Beheer Groep. Gedaagde heeft appellant, op basis van nader tussen partijen gemaakte afspraken, met ingang van 1 augustus 1999 eervol ontslag verleend in het kader van de FPU-regeling.
1.2. Bij brief van 3 september 1999 heeft de gemachtigde van appellant gedaagde (onder meer) verzocht om uitbetaling van de door appellant vanaf 1 juli 1993 opgebouwde extra uren. Bij besluit van 25 oktober 1999, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 16 februari 2000, heeft gedaagde dit verzoek afgewezen.
1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Tevens heeft de rechtbank bepaald dat aan appellant het betaalde griffierecht wordt vergoed.
2. Bij het in rubriek I vermelde nieuwe besluit van 13 december 2000 heeft gedaagde het bezwaar wederom ongegrond verklaard. Blijkens het verhandelde ter zitting heeft gedaagde beoogd daarmee uitvoering te geven aan de overweging in de aangevallen uitspraak welke inhoudt dat gedaagde opnieuw een beslissing op het bezwaarschrift van appellant moet nemen. Gelet op de aard en de inhoud van het nieuwe besluit, moet dit worden aangemerkt als een besluit waartegen ingevolge artikel 6:19, eerste lid, in samenhang met artikel 6:24 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep van appellant geacht wordt mede te zijn gericht. De rechtbank heeft het tegen dit besluit gerichte - reële - beroepschrift dan ook terecht aan de Raad doorgezonden. Bedoeld beroepschrift en de daarbij behorende stukken zijn door de Raad mede bij de beoordeling van het geschil betrokken.
2.1. De Raad stelt vast dat de rechtbank weliswaar de beslissing op bezwaar van 16 februari 2000 heeft vernietigd, doch tevens heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Dit laatste brengt met zich dat voor een nieuwe beslissing op bezwaar geen plaats was. De overweging van de rechtbank dat gedaagde opnieuw een beslissing op het bezwaarschrift moet nemen, maakt dit niet anders. Gelet op het vervolg van de aangevallen uitspraak dient deze kennelijk aldus te worden verstaan, dat de vernietiging in beginsel het bedoelde gevolg heeft, doch dat op grond van de verdere overwegingen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven en een nieuwe beslissing op bezwaar dus niet nodig is.
2.2. Het nieuwe besluit is derhalve genomen in strijd met het in artikel 7:1 vanPro de Awb besloten liggende beginsel dat op een reeds afgedaan bezwaar niet opnieuw kan worden beslist. Om die reden dient het te worden vernietigd. Mede in aanmerking genomen dat gedaagde onder het nieuwe besluit heeft vermeld dat daartegen beroep bij de rechtbank kon worden ingesteld, zal de Raad bepalen dat het door de rechtbank wegens dit beroep geheven griffierecht aan appellant wordt vergoed.
3. Met betrekking tot het oordeel van de rechtbank omtrent de bestreden beslissing op bezwaar van 16 februari 2000 overweegt de Raad als volgt.
3.1. Het bestreden besluit berust, kort gezegd, op de overweging dat met de tussen partijen getroffen ontslagregeling alle financiële zaken als afgewikkeld mochten worden beschouwd en dat de eerst na het ontslag ingediende claim tot uitbetaling van opgebouwde extra uren daarom niet kan worden gehonoreerd. Dienaangaande heeft de rechtbank overwogen dat van een finale kwijting niet is gebleken, reden waarom de rechtbank het bestreden besluit heeft vernietigd. Het geschil in hoger beroep spitst zich toe op de vraag of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten.
3.2. Bij de beantwoording van deze vraag stelt de Raad voorop dat ingevolge artikel 23, eerste lid, van het Bezoldigingsbesluit Informatie Beheer Groep 1994, voorzover hier van belang, een vergoeding voor overwerk slechts wordt toegekend aan de ambtenaar voor wie een salarisschaal geldt met een lager maximumsalaris dan dat van schaal 11. Vast staat dat appellant aan deze voorwaarde niet voldoet.
3.3. Ingevolge artikel 23, elfde lid, van genoemd Bezoldigingsbesluit kan in bijzondere gevallen een regeling worden getroffen welke het bepaalde in de vorige leden aanvult of daarvan afwijkt. Appellant beroept zich op toezeggingen die volgens hem van de zijde van gedaagde zijn gedaan en die - zo moet de Raad het betoog van appellant begrijpen - als een regeling in vorenbedoelde zin zijn aan te merken.
3.4. Van zodanige toezeggingen is de Raad onvoldoende kunnen blijken. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen. Niet kan worden voorbijgegaan aan de vele inconsistenties in de verklaringen van appellant en het door hem aangedragen bewijsmateriaal, zoals door gedaagde in het verweerschrift nog eens uitvoerig uiteengezet. Mede in het licht daarvan heeft de Raad ook geen aanleiding kunnen vinden om te twijfelen aan de juistheid van de ter zitting van de rechtbank onder ede afgelegde getuigenverklaring.
3.5. Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak houden derhalve in rechte stand.
4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 vanPro de Awb bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 13 december 2000 gegrond en vernietigt dit besluit;
Bepaalt dat de Informatie Beheer Groep aan appellant het door hem vanwege dit beroep betaalde griffierecht van f 225,- (thans € 102,10) vergoedt.
Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2003.