ECLI:NL:CRVB:2003:AF5753
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. Simon
- C.W.J. Schoor
- N.J. Haverkamp
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen intrekking WAO-uitkering wegens termijnoverschrijding
Appellante kreeg haar WAO-uitkering ingetrokken per 1 juni 1998 op grond van een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Zij diende bezwaar in, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank bevestigde dit oordeel, stellende dat het bezwaarschrift niet tijdig was ontvangen door gedaagde, mede door onvolledige adressering.
Appellante voerde aan dat het besluit niet op juiste wijze was bekendgemaakt en dat de termijn daarom niet was aangevangen. Ook stelde zij dat de onvolledige adressering niet voor haar risico mocht komen. De Raad overwoog dat het bezwaar tijdig was verzonden, maar door gebrekkige adressering niet tijdig was ontvangen. De termijn was volgens de Raad correct gestart op de dag van ontvangst van het besluit, dat zij op 16 januari 1998 ontving.
De Raad verwierp het verweer dat het bezwaar prematuur was en oordeelde dat het risico van niet-tijdige ontvangst van het bezwaarschrift door onvolledige adressering voor rekening van appellante komt. Er waren geen omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar maakten. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het bezwaar bleef niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de intrekking van de WAO-uitkering wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn door onvolledige adressering.