ECLI:NL:CRVB:2003:AF5508
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- H. Bolt
- J.Th. Wolleswinkel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit over ingangsdatum en immateriële schade AAW-uitkering
Appellant vordert een eerdere ingangsdatum van zijn Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW)-uitkering dan 27 januari 1992 en een vergoeding voor immateriële schade. Na eerdere vernietiging van een besluit uit 1994, handhaafde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de ingangsdatum van de uitkering op 27 januari 1992. Appellant stelde dat het besluit onvoldoende zorgvuldig was en dat hij psychisch leed door de onzekerheid over zijn uitkeringsrecht.
De Raad oordeelt dat het beleid van gedaagde omtrent terugwerkende kracht bij late aanvragen aanvaardbaar is en dat onvoldoende bewijs is geleverd dat het gezinsinkomen in de periode vóór 1992 onder het sociale minimum lag. Ook het argument dat appellant door detentie een bijzondere financiële hardheid had, werd niet voldoende onderbouwd, mede omdat appellant in die periode een uitkering van de Gemeentelijke Sociale Dienst ontving.
Ten aanzien van de immateriële schade stelt de Raad dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn psychische gesteldheid verslechterd is door de afhandeling van zijn verzoek. De Raad bevestigt daarom de eerdere uitspraak van de rechtbank Groningen en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de besluiten over de ingangsdatum van de AAW-uitkering en de afwijzing van immateriële schadevergoeding worden bevestigd.