ECLI:NL:CRVB:2003:AF4652
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Recht op kinderbijslag bij ongewone betalingswijze door vluchteling
Gedaagde, een vluchteling uit Irak, had bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Sociale verzekeringsbank dat hij geen recht had op kinderbijslag voor zijn vijf kinderen over het derde kwartaal van 1998. De reden was dat hij niet kon aantonen dat hij zijn kinderen in belangrijke mate had onderhouden. Gedaagde had echter aangetoond dat hij via een tussenpersoon geld had overgemaakt naar zijn familie in Irak, hoewel een dagafschrift van de uiteindelijke doorstorting ontbrak.
De rechtbank Arnhem had het bezwaar gegrond verklaard en het besluit vernietigd, omdat in de bijzondere omstandigheden van het betalingsverkeer met Irak een volledige bewijsvoering niet altijd mogelijk is en gedaagde voldoende aannemelijk had gemaakt dat de betaling had plaatsgevonden. De Sociale verzekeringsbank ging in hoger beroep, stellende dat het bewijs onvoldoende was.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde dat in situaties waarin normaal betalingsverkeer niet mogelijk is, het bewijs ook op andere wijze kan worden geleverd. De Raad vond de chronologische samenhang en consistentie van de stukken en verklaringen voldoende om het onderhoud aan te nemen. De Raad veroordeelde de Sociale verzekeringsbank tot betaling van proceskosten en legde griffierechten op.
Uitkomst: Het beroep van gedaagde wordt gegrond verklaard en het besluit van de Sociale verzekeringsbank vernietigd, met toekenning van proceskosten en griffierecht.