ECLI:NL:CRVB:2002:AJ9898
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling bijstand zelfstandige en toerekening huurinkomsten aan juiste boekjaar
De zaak betreft een hoger beroep van het College van burgemeester en wethouders van Maastricht tegen een uitspraak van de rechtbank Maastricht over de definitieve vaststelling van bijstand aan een zelfstandige. Gedaagde had een wassalon en ontving bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz). De discussie betrof de juiste toerekening van achterstallige huurinkomsten die in 1997 werden ontvangen maar betrekking hadden op 1996.
De rechtbank oordeelde dat deze huurinkomsten aan 1996 moesten worden toegerekend, maar het college was het hier niet mee eens en stelde dat de vaststelling van het inkomen moest volgen uit de door de zelfstandige aangeleverde administratie over de jaren 1996-1998. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de bijstand aan zelfstandigen definitief wordt vastgesteld op basis van het netto inkomen per boekjaar zoals vastgesteld aan de hand van de administratie van de zelfstandige.
De Raad stelde vast dat de administratie van gedaagde volgens het kasstelsel was ingericht, waarbij inkomsten worden verantwoord in het jaar waarin ze feitelijk zijn ontvangen. Dit betekent dat de huurinkomsten in 1997 terecht in dat jaar zijn opgenomen en niet aan 1996 hoeven te worden toegerekend. De Raad vernietigde daarom het bestreden vonnis en verklaarde het hoger beroep van het college ongegrond. Tevens wees de Raad het verzoek om een voorlopige voorziening af en bepaalde dat het betaalde griffierecht wordt terugbetaald.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank over de toerekening van huurinkomsten wordt vernietigd.