ECLI:NL:CRVB:2002:AF4023
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroepsgronden tegen uitspraak UWV
In deze zaak heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Volgens artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht moet het beroepschrift de gronden van het beroep bevatten. Het ingediende beroepschrift bevatte echter geen gronden.
De appellant is meerdere malen in de gelegenheid gesteld om dit verzuim te herstellen, eerst binnen vier weken en vervolgens binnen twee weken, met de waarschuwing dat overschrijding tot niet-ontvankelijkheid zou leiden. Ondanks deze kansen heeft het UWV geen beroepsgronden ingediend en ook het verzoek om uitstel kwam te laat.
De Raad oordeelde dat er geen verontschuldigbare redenen waren voor het verzuim en verklaarde het hoger beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk. De oorspronkelijke uitspraak van de rechtbank blijft daarmee in stand. Tevens werd een griffierecht van € 327,00 opgelegd aan het UWV. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken schriftelijk verzet worden aangetekend.
Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van beroepsgronden binnen de gestelde termijnen.