ECLI:NL:CRVB:2002:AF3222
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.T. van der Meer
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verwijtbaarheid werkloosheid en weigering WW-uitkering na ontslag op staande voet
De zaak betreft een geschil tussen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) en gedaagde over de weigering van een WW-uitkering. Gedaagde werd ontslagen op staande voet nadat hij bij een inlener een glazen ruit van een lunchautomaat had gebroken. Vervolgens vond hij via een ander uitzendbureau snel ander werk, maar werd later ontslagen wegens beëindiging van de opdracht.
Het Uwv weigerde de WW-uitkering blijvend op grond van verwijtbare werkloosheid, omdat gedaagde volgens hen had moeten begrijpen dat zijn gedrag tot ontslag zou leiden. De rechtbank oordeelde echter dat gedaagde niet verwijtbaar werkloos was geworden, mede omdat hij niet was gewaarschuwd en snel ander werk vond.
De Centrale Raad van Beroep sluit zich aan bij de rechtbank en bevestigt dat het gedrag van gedaagde niet zodanig was dat hij had moeten begrijpen dat het tot ontslag zou leiden. Het besluit tot blijvende weigering van de uitkering wordt vernietigd. Tevens wordt het Uwv veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: Het besluit tot blijvende weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd en het Uwv wordt veroordeeld in de proceskosten.