ECLI:NL:CRVB:2002:AF2655
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- J.Th. Wolleswinkel
- F.P. Dresselhuys-Doeleman
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen boete voor te laat inleveren openbaar vervoer studentenkaart
Gedaagde kreeg een openbaar vervoer studentenkaart toegekend voor de eerste helft van januari 2000. Na haar afstuderen op 22 december 1999 diende zij de kaart uiterlijk op 31 december 1999 in te leveren volgens artikel 32f van de Wet op de studiefinanciering (WSF). Gedaagde leverde de kaart echter pas op 7 januari 2000 in, waarna appellante een boete van f 150,- (€ 68,06) oplegde.
De rechtbank verklaarde het beroep van gedaagde gegrond en vernietigde het besluit van appellante, stellende dat de kaart pas op de vijfde werkdag van januari ingeleverd hoefde te worden. Appellante stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. Deze oordeelde dat het tweede lid van artikel 32f WSF ziet op situaties waarin een openbaar vervoer studentenkaart ten onrechte wordt gehouden vanaf de dag waarop de kaart geldig wordt, en dat dit ook geldt bij herhaalde toekenning aansluitend op eerdere studiefinanciering.
De Raad verwierp het oordeel van de rechtbank en stelde dat gedaagde de kaart vóór 1 januari 2000 had moeten inleveren. De brochure waarop gedaagde zich beriep, bevestigde dit ook. Omdat gedaagde dit niet had gedaan, was de boete terecht opgelegd. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van gedaagde alsnog ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van gedaagde wordt ongegrond verklaard en de boete wegens te laat inleveren van de openbaar vervoer studentenkaart wordt bevestigd.