ECLI:NL:CRVB:2002:AF1665
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Beëindiging vrijwillige AOW-verzekering na 65-jarige leeftijd echtgenoot niet onrechtmatig
Appellante, wonende in België en sinds 1963 houdster van de Nederlandse nationaliteit, was vrijwillig verzekerd voor de AOW/AWW op grond van EG-Verordening 1408/71. Gedaagde beëindigde deze vrijwillige verzekering per 6 oktober 1999, de dag waarop haar echtgenoot 65 jaar werd, op basis van Bijlage VI, onderdeel J, sub f van de verordening.
Appellante stelde dat deze beëindiging haar recht op vrije vestiging en familieleven schond en dat zij als vrouw werd gediscrimineerd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en ook de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de regeling geen strijd oplevert met het beginsel van vrij verkeer van werknemers, noch met het gelijkheidsbeginsel.
De Raad motiveerde dat de regeling het doel heeft om de niet-verplichte verzekerde partner van een verplicht verzekerde werknemer of zelfstandige de mogelijkheid te bieden zich vrijwillig te verzekeren onder gunstigere voorwaarden dan de nationale regeling. De beëindiging van de vrijwillige verzekering bij het bereiken van 65 jaar van de echtgenoot is noodzakelijk en gerechtvaardigd, en vormt geen verboden indirect onderscheid op grond van geslacht.
Verder concludeerde de Raad dat er geen directe inbreuk is op het recht op familieleven zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro, omdat de beperking voortvloeit uit de regeling zelf en niet rechtstreeks het gezinsleven aantast.
Het hoger beroep werd derhalve ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de vrijwillige AOW-verzekering per 6 oktober 1999 en verklaart het hoger beroep ongegrond.