ECLI:NL:CRVB:2002:AE8953

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 augustus 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00/601 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling korting op periodieke uitkering wegens FPU-uitkering volgens Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945

Eiseres, als nabestaande van een vervolgingsslachtoffer, ontvangt een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Verweerster heeft haar uitkering herberekend en met ingang van 1 oktober 1999 een korting toegepast vanwege de FPU-uitkering die eiseres vanaf die datum ontvangt.

De Raad heeft vastgesteld dat de gehele FPU-uitkering in mindering moet worden gebracht op de periodieke uitkering, conform artikel 19, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet. Dit wijkt af van de eerdere korting op wachtgeld, die met een vrijstelling werd berekend omdat wachtgeld gelijkgesteld wordt met inkomsten uit arbeid of bedrijf.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze korting, maar de Raad oordeelt dat het standpunt van verweerster terecht en op goede gronden is gebaseerd. De Raad beperkt zich tot de toetsing van de toegepaste korting en gaat niet in op verzoeken die betrekking hebben op de arbeidsverhouding van eiseres.

Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegewezen aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de korting op haar periodieke uitkering wegens FPU-uitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

00/6401 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 31 oktober 2000, kenmerk JZ/U80/2000/957, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dit besluit heeft [A.], wonende te [woonplaats], namens eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift (met bijlagen) is uiteengezet waarom eiseres het met het bestreden besluit niet eens is.
Verweerster heeft een verweerschrift ingezonden.
Op 13 mei 2002 heeft de Raad bericht ontvangen dat [A.] is overleden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 11 juli 2002, waar eiseres niet is verschenen en waar verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Eiseres ontvangt als nabestaande van een vervolgde een periodieke uitkering op grond van de Wet.
Naar aanleiding van de mededeling van eiseres dat zij vanaf 1 oktober 1999 niet langer wachtgeld maar een FPU-uitkering genoot, heeft verweerster eiseres op 31 mei 2000 op de hoogte gesteld van herberekening van haar periodieke uitkering per 1 oktober 1999. Voor zover hier van belang is daarbij met toepassing van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet in verband met de aan eiseres per 1 oktober 1999 toekomende FPU-uitkering op haar periodieke uitkering een korting toegepast. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerster haar standpunt in zoverre, na daartegen gemaakt bezwaar, gehandhaafd.
Het beroep van eiseres betreft de korting die op haar periodieke uitkering is toegepast in verband met de per 1 oktober 1999 aan haar toegekende FPU-uitkering.
De Raad overweegt als volgt.
Verweerster heeft het bedrag dat eiseres vanaf 1 oktober 1999 aan FPU-uitkering ontvangt vanaf die datum in zijn geheel op de aan eiseres toegekende periodieke uitkering in mindering gebracht. Verweerster heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 19, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet op grond van welk artikelonderdeel - kort gezegd - overige inkomsten van de uitkeringsgerechtigde op zijn periodieke uitkering (moeten) worden gekort. Verweerster heeft in dit verband gewezen op het verschil ten aanzien van het door eiseres tot 1 oktober 1999 genoten wachtgeld. De korting van wachtgeld werd, nu wachtgeld in artikel 19, derde lid, van de Wet is gelijkgesteld met inkomsten uit arbeid in beroep of bedrijf als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onder a, van de Wet, berekend met inachtneming van de in laatstgenoemd artikelonderdeel vermelde vrijstelling.
De Raad constateert dat verweerster terecht en op goede gronden heeft vastgesteld dat per 1 oktober 1999 het gehele door eiseres ontvangen bedrag aan FPU-uitkering op de haar toekomende periodieke uitkering moet worden gekort. Hetgeen van de zijde van eiseres in beroep naar voren is gebracht kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden. Naar aanleiding daarvan merkt de Raad nog op dat hij zich in dit geding moet beperken tot toetsing van de door verweerster toegepaste korting; ingrijpen in de voormalige arbeidsverhouding van eiseres zoals van de zijde van haar toenmalige gemachtigde is bepleit, valt buiten het bereik van dit geding.
Uit het voorgaande volgt dat het beroep van eiseres niet slaagt.
De Raad acht geen termen aanwezig om verweerster met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van eiseres.
Beslist wordt dan ook als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2002.
(get.) W.D.M. van Diepenbeek.
(get.) L. Jörg.
HD
1.08