ECLI:NL:CRVB:2002:AE8418
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken belang bij beoordeling besluit over loonvordering
Appellante, die op 24 november 1997 bij een werkgever in dienst trad en op 24 februari 1998 op staande voet werd ontslagen, vorderde loonbetaling wegens onrechtmatig ontslag. Na diverse besluiten van het UWV, waaronder het overnemen van achterstallig loon over bepaalde periodes en het weigeren van kosten rechtsbijstand, stelde appellante hoger beroep in tegen het besluit van 23 oktober 1998.
De Raad oordeelde dat de latere besluiten niet binnen de reikwijdte van het oorspronkelijke besluit vielen en dat appellante geen belang meer had bij de beoordeling van het hoger beroep tegen het oorspronkelijke besluit, omdat zij materieel tegemoet was gekomen en het teveel betaalde bedrag werd teruggevorderd zonder betwisting.
De Raad verklaarde appellante niet-ontvankelijk in het hoger beroep en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellante, waarbij werd opgemerkt dat een verzoek tot vergoeding van wettelijke rente niet langer werd gehandhaafd. De uitspraak benadrukt het belang van het belang bij beoordeling en het juiste gebruik van bezwaar- en beroepsprocedures in het bestuursrecht.
Uitkomst: Appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep en het UWV wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.