ECLI:NL:CRVB:2002:AE8114
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.M. Schelfhout
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat fictief arbeidsverleden aanvangt op 18-jarige leeftijd bij WW-uitkering
Appellant, geboren in 1939, stelde dat zijn arbeidsverleden 41 jaar bedroeg omdat hij ook vóór zijn 18e jaar als boerenknecht had gewerkt, en dat hij aanspraak kon maken op een langere WW-uitkering. De Raad van Beroep overwoog dat het arbeidsverleden volgens artikel 42, derde lid, van de WW bestaat uit een feitelijk en een fictief deel, waarbij het fictieve arbeidsverleden begint in het jaar waarin de werknemer 18 jaar wordt.
De Raad benadrukte dat de wetgever bewust heeft gekozen voor deze systematiek vanwege praktische redenen zoals het ontbreken van sluitende registraties en het voorkomen van fraude. Dit systeem is gebaseerd op redelijke en objectieve gronden en leidt niet tot verboden discriminatie.
Verder oordeelde de Raad dat het statusoverzicht van appellant over 1994 geen rechten kan doen ontstaan en dat het tijdsverloop tussen de verschillende besluiten appellant niet heeft geschaad. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het beroep van appellant ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het arbeidsverleden wordt vastgesteld vanaf het jaar waarin hij 18 werd.