ECLI:NL:CRVB:2002:AE7871
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- W.D.M. van Diepenbeek
- H.R. Geerling-Brouwer
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep inzake toekenning periodieke uitkering op grond van Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
De zaak betreft een beroep van de erfgenaam van een erkende vervolgde uit voormalig Nederlands-Indië tegen een besluit van de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerster) over de toekenning van een periodieke uitkering in plaats van een maandelijkse uitkering voor niet-meetbare invaliditeitskosten (nmik).
De betrokkene had aanvankelijk een maandelijkse nmik-uitkering toegekend gekregen, maar verweerster wees een verzoek tot omzetting naar een periodieke uitkering af omdat de maandelijkse uitkering gunstiger was. Na bezwaar en een tweede verzoek werd alsnog per 1 januari 1996 een periodieke uitkering toegekend, waarbij het vermogen van betrokkene werd vastgesteld inclusief een vordering op eiser, haar partner, die als privévermogen werd aangemerkt.
In beroep stelde de erfgenaam dat het bedrijf niet was beëindigd en dat de vordering op eiser een fictieve schuld was, maar de Raad oordeelde dat betrokkene haar werkzaamheden per 1 januari 1996 had beëindigd en dat het bedrijfsvermogen vanaf die datum als privévermogen moest worden beschouwd. De vordering op eiser werd als reëel aangemerkt, mede gelet op de fiscale en administratieve verwerking.
De Centrale Raad van Beroep verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep van de erfgenaam wordt ongegrond verklaard en het besluit tot toekenning van de periodieke uitkering wordt gehandhaafd.